Bij lezing van de woorden “regeling van het strandleven” denkt U wellicht aan voorschriften in verband met zaken als strandtenten of strandhuisjes. U zult anno 2012 niet zo gauw denken aan een regeling “ter bescherming van de betamelijkheid en de goede zeden”.
En toch, vijfenzestig jaar geleden, had de Wassenaarse gemeenteraad de openbare zedelijkheid op het oog toen deze op 26 februari 1947 de commissie instelde ter “regeling van het strandleven aan het Wassenaarsche Slag”. Binnen twee maanden had de commissie haar taak volbracht en haar ideeën over wat het fatsoen op dit terrein gebood te regelen, in de vorm van een advies aan het College van Burgemeester en Wethouders voorgelegd.
Wat behelsde dit advies?
De commissie achtte het in de eerste plaats noodzakelijk een regeling te treffen voor die categorie strandbezoekers, die door haar werd aangeduid als “dagjesmenschen”. Dezen bezoeken volgens de commissie het strand niet met het doel om te zwemmen, te baden of te zonnebaden. Hun moet, aldus de commissie de gelegenheid worden geboden van zon en zee te genieten “zonder zich tussen de baders en zwemmers te moeten begeven. Om dat mogelijk te maken stelt de commissie voor een gedeelte van het strand aan te wijzen (ongeveer ter breedte van 400 meter) “waar het aan personen ouder dan 10 jaren verboden is te baden of te zwemmen of zich in badkleeding te bevinden.”
De tweede categorie strandbezoekers die de commissie met een regeling wilde bedenken waren de vrouwen en mannen die bezwaren hebben tegen gemengd baden of zwemmen. Hun moest de mogelijkheid worden gegeven zulks gesepareerd te doen. Daartoe zou volgens de commissie volstaan kunnen worden met voor elk van deze groepen een strook van het strand ter breedte van 100 meter te reserveren.
Om er voor te zorgen dat deze verschillende categorieën strandbezoekers inclusief de gemengde baders en zwemmers niet met elkaar in aanraking zouden komen, dacht de commissie aan een zogenaamde neutrale zone ter breedte van 25 meter “waar het een ieder verboden zal zijn zich langer op te houden dan voor normaal passeeren noodzakelijk is.”
De commissie achtte voorts het oprichten van een viertal aan- en uitkleedplaatsen gewenst.
Twee op het gedeelte voor het gemengd zwemmen en baden, en een voor heren en een voor dames op elk van de voor het gesepareerd zwemmen of baden aangewezen gedeelte. Gezien de toen, zo kort na de Tweede Wereldoorlog, heersende schaarste aan materialen, dacht men voorlopig te kunnen volstaan met “een soort omheining waarachter men zich voor het aan- en uitkleden zal kunnen begeven.”
Tenslotte meende de commissie dat er eisen moesten worden gesteld met betrekking tot de te dragen bad- en strandkleding “met het oog op de steeds toenemende excessen op dit gebied.”
Hoe de commissie de door haar geconstateerde “excessen” dacht tegen te gaan, zal ik een volgende keer onthullen.
Suzanne Spruijt-Mets