Hij heeft altijd van zijn penseel geleefd.
Johannes Jacobus Maria Bogaerts is in 1878 te ‘s Hertogenbosch geboren. Hij trok veel op met zijn één jaar jongere nichtje, Marie Koenen, de dochter van M. J. Koenen, onderwijzer van zijn vak, maar vooral bekend van het woordenboek. Ook zijn eigen vader was onderwijzer, maar Jan kwam er al snel achter, dat hij kunstschilder wilde worden.
Dit had mede tot gevolg, dat hij al zeer jong – hij was 15 jaar – leerling werd van de Koninklijke School voor nuttige en beeldende kunsten in zijn geboorteplaats. Tijdens de vier jaar durende studie was hij vaak te vinden op het atelier van zijn leermeester Van Welie, die hem duidelijk beïnvloed heeft. Vervolgens heeft hij enkele jaren aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen gestudeerd. Vooral het Limburgse landschap en de daar aanwezige kastelen werden onderwerp van zijn schilderijen, zoals ook uit zijn illustratie op de band van het door Marie Koenen geschreven boek De Witte Burcht, blijkt. Bogaerts wordt omschreven als een in zichzelf gekeerde en teruggetrokken man, iemand, die door alle artistieke en politieke stromingen heen zichzelf is gebleven. Zo is er – om een voorbeeld te noemen – niets van de beroering die de Eerste Wereldoorlog met zich meebracht in zijn werk terug te vinden.
In 1921 laat hij op het adres Kerklaan 55 een landhuisje bouwen en daar gaat hij vervolgens rond 1922 wonen en werken. Dit huis staat er nog steeds, al gaat het nu om het adres Kerkstraat 55. (De huidige Kerkstraat bestond aanvankelijk uit twee gedeelten, vlakbij het centrum was er sprake van de Kerkstraat en deze ging over in de Kerklaan. Later heeft men hier één naam van gemaakt: de Kerkstraat. Ik heb niet kunnen achterhalen wanneer dit heeft plaatsgevonden.) De architect M.E. van de Wall, heeft er rekening mee gehouden, dat het hier om een huis voor een kunstschilder ging. Zo is er aan de kant van het atelier een groot raam aangebracht. Vrijwel tot aan zijn dood – in 1962 – is hij hier blijven schilderen. Naast de eerdergenoemde onderwerpen gaat het nu vooral om stillevens. Jan Bogaerts heeft altijd van zijn penseel kunnen leven al was dat soms niet eenvoudig. Het schilderen van portretten vormde een belangrijke bron van inkomsten en hierdoor kreeg hij enige bekendheid. Deze portretten waren niet geflatteerd en gaven blijk van een individuele benadering.
In 1978 was er in het Noordbrabants Museum te ’s Hertogenbosch een tentoonstelling van zijn werk te zien, teneinde “de stoot te geven tot een herwaardering van deze de laatste decennia volkomen op de achtergrond geraakte figuur.” Dit is kennelijk gelukt, want op een site voor kunstminnaars, las ik: “Jan Bogaerts werd terecht herontdekt …”
Carl Doeke Eisma