Laat mij maar schilderen
…
Roeland Koning is in 1898 in Amsterdam geboren. Toen hij een jaar of twaalf was, stond het al voor hem vast, dat hij kunstschilder wilde worden.
Na de kunstnijverheidsschool volgde hij de opleiding aan de normaalschool voor tekenleraren om vervolgens de Rijksakademie voor Beeldende Kunst in twee jaar af te ronden terwijl hier normaal gesproken vier jaar voor nodig was, razend snel dus. (Albert Termote, de van oorsprong Belgische beeldhouwer, heeft een gevelsteen voor zijn huis gemaakt, voorstellende een ridder te paard: Razende Roeland) Van 1924 tot 1927 woonde en werkte hij in Egmond aan Zee. Evenals vele van zijn kunstbroeders ontvluchtte hij de grote stad om in de betrekkelijke eenvoud van het platteland te kunnen gaan werken. Van 1927 tot 1934 woonde hij in Den Haag en hierna heeft hij – tot zijn dood in 1985 – in Wassenaar gewoond, op het adres: Pieter Twentlaan 16. Dit huis is door een bevriende architect ontworpen en Roeland heeft hierbij een zekere inbreng gehad. Zo valt het glazen gedeelte van het dak op. Hieronder bevindt zich een opmerkelijk groot atelier, met een prachtige lichtval. Bevindt, schreef ik, want dat is nog steeds het geval. De huidige bewoner heeft een groot deel van dit huis in de oorspronkelijke staat gelaten. Zo treft men in één van de buitenmuren een prachtig glas-in-lood raam aan, ontworpen door de kunstenaar zelf en ook de eerder genoemde gevelsteen is nog aanwezig.
Hoewel hij vooral portretten geschilderd en getekend heeft, heeft deze kunstenaar zich zeker niet tot deze technieken beperkt. Zo heeft hij onder andere: mozaïeken, glas-in-lood ramen, boekillustraties, houtsneden en etsen gemaakt. Ook zijn onderwerpen waren zeer divers: landschappen, stillevens, bijbelse taferelen en stadsgezichten.
In 1978 heeft onze dorpsgenoot Sipke van der Land een boek over hem geschreven: Roeland Koning aan het werk en aan het woord. Hij omschrijft Roeland als volgt: “… een forse gestalte, een haast gebeeldhouwde kop met witte lokken, en een stem die diep uit zijn binnenste lijkt te komen.” “Nee, hij is geen vriend van modieus gedoe en gemakkelijk effektwerk,” zo merkt Sipke op. Mag ik zo vrij zijn op te merken, dat ik dat ook niet ben en eigenlijk verwacht ik van u, gewaardeerde lezer, hetzelfde.

Uit: Schildersleven, Kampen 1978, blz. 19 “Schelpenkar”.
Carl Doeke Eisma