De Wassenaarse Ondernemers Vereniging, in 1925 opgericht als de Wassenaarsche Middenstands Vereeniging, stelde zich ten doel de belangen van haar leden te behartigen, in het bijzonder op het gebied van het midden- en kleinbedrijf. ‘Zij bestrijdt misstanden die in het zakenleven mochten voorkomen’, aldus het notulenboek
. In de eerste jaren bogen de ongeveer honderd aangesloten leden zich over tal van actuele onderwerpen. Een regelmatig terugkerend onderwerp was de tijden waarop de winkels geopend mochten zijn. Voorzitter Van der Lee gaf al in 1925 aan niet gecharmeerd te zijn van overheidsbemoeienis op dit terrein en dat is eigenlijk altijd de basishouding van de ondernemingsvereniging gebleven.
In 1926 werd er geklaagd over de povere straatverlichting waarbij ‘op verscheidene plaatsen de verlichting wordt overgelaten aan het maantje’. In het volgende jaar kreeg vrachtrijder Van den Berg een zwaar ongeluk en verloor daarbij zijn twee paarden. De ondernemersvereniging zorgde ervoor dat Van den Berg een nieuw span paarden kreeg.
De Winkelweek werd een steeds terugkerend fenomeen. Deze werd zowel ’s zomers gehouden, waarbij aansluiting werd gezocht bij de Oranjefeesten, als in de decembermaand. In dit kader hield men etalagewedstrijden. Soms sloeg men de Winkelweek een jaar over ‘ten einde de kas wat te sterken voor een volgende keer.’ In 1931 lanceerde men het idee van een Winkelweek met uitsluitend Nederlands fabrikaat. Deze actie was speciaal gericht op de bewoners van de villaparken, met de bedoeling hun te laten zien wat er in het dorp verkrijgbaar was.
In 1932 kon secretaris Van Reenen tijdens een ledenvergadering in Het Wapen van Wassenaar aan het Plein melden dat het met het winkelbestand in het dorp de goede kant uitging: ‘Met groote erkentelijkheid mogen wij toch constateeren dat de Wassenaarsche middenstand de tijden leeren begrijpen. Gaat men zoo het dorp eens door en vergelijkt men de winkels in- en extern met ongeveer 10 jaar geleden, dan zien wij daar een aanmerkelijke verbetering in. Diverse leden hebben hun zaken dusdanig gemoderniseerd dat zij voor de stad niet behoeven onder te doen.’ De winkeliers waren in dat jaar ook blij met de geweldige verbetering van de bestrating in het dorp.
Geregeld was er kritiek op de gemeente, met name als deze in zee ging met leveranciers buiten de gemeente. Zo maakte de autohandelaar Blankespoor in 1939 bezwaar tegen de gemeentelijke aankoop in Den Haag van een auto voor de Wassenaarse Luchtbescherming. Hij merkte fijntjes op dat wanneer deze auto in Wassenaar was besteld, hij f 700,- goedkoper had kunnen zijn.
Concurrentie werd met argusogen bekeken. In de naoorlogse periode protesteerde de ondernemersvereniging geregeld bij de gemeente tegen de komst van een supermarkt. In 1970 werd bezwaar aangetekend tegen de aanwezigheid van ‘Autorama’, een soort warenhuis dat zich gevestigd had in Van der Marel’s autobedrijf aan de Rijksstraatweg. Hier kon de consument allerlei zaken tegen aantrekkelijke prijzen krijgen. Volgens het bestuur draaide Autorama zonder vergunning. ‘Zij lachen erom, U moet eens iets aan je winkel veranderen, of je neon (verlichting) zonder het aan te vragen, maar ja, wij zijn maar kleine mensjes.’
(wordt vervolgd)
Robert van Lit