In de loop van de 19e eeuw ging een aantal Wassenaarse telers rozen kweken. Niet voor de sier, maar als grondstof voor de parfumbereiding. De rozen moesten in de vroege ochtend geplukt worden terwijl ze nog in de knop zaten. Daarna werden alle blaadjes afgepeld en vervolgens gedroogd. De kwaliteit kon zo lang behouden blijven. Bij slecht weer gebeurde het drogen in een kamer die met een oven verwarmd werd.
In Wassenaar werden de gedroogde rozenblaadjes overigens niet verder verwerkt, maar in blikken bussen verpakt en verkocht aan opkopers. Die leverden deze aan een fabriek.
Daar werden de rozenblaadjes niet uitgeperst, zoals vaak gedacht (dat leverde te weinig op), maar meestal met water gedestilleerd. Nadat dit één of twee keer was herhaald om de concentratie te verhogen, was het product klaar. Dit bestond uit rozenwater, water waarin een deel van het rozenaroma was opgelost. Op dit rozenwater dreef een klein beetje onoplosbare olie, de rozenolie, die verreweg het meeste aroma bevatte. Uit een hoeveelheid gelijk aan de gemiddelde Wassenaarse jaarproductie van 8.000 kilo gedroogde blaadjes, kon ruim twee kilo rozenolie gewonnen worden. Dat was dan ook heel duur en krachtig spul. Minieme hoeveelheden bereikten het gewenste geureffect in parfums. Rozenwater werd vaak apart verkocht als reukwater.

Een destillatietoestel in de tweede helft van de 19e eeuw. In de ketel rechts werden rozenblaadjes in water verwarmd. De damp condenseerde in de koeler (midden), waarna het product in de kan druppelde. Links een bak koelwater (A. Ganot, “Handboek der natuurkunde”, 1871)
Omstreeks 1890 werd 15 hectare grond gebruikt door ongeveer 15 rozenkwekers. Zij verdienden goed aan de rozenblaadjes. Ze kregen drie tot zeven gulden per kilo, terwijl ze van een opbrengst van 2,50 per kilo blaadjes al goed konden rondkomen. Echter na 1890 zakte de markt in elkaar. De rozenblaadjes brachten nog maar 1,20 per kilo op. Het gevolg was dat de rozenteelt te Wassenaar eind 19e eeuw sterk inkromp en dreigde teniet te gaan. De kersverse burgemeester baron Van Zuylen van Nijevelt spande zich zeer in om het tij te keren. Hij liet in 1896 onderzoek doen, waarbij bleek dat concurrerende prijzen in het buitenland de oorzaak waren. Vervolgens is bezien of een eigen fabriek zou renderen. Dit plan werd echter sterk ontraden. Uit proeven bleek dat Wassenaarse rozen wel een uitstekende kwaliteit hadden, maar ongeschikt waren voor een rendabele destillatie van rozenolie. Dat gold trouwens voor vrijwel alle Nederlandse rozen, die door klimatologische omstandigheden te weinig aroma bevatten. De rozenblaadjes konden wel goed gebruikt worden om rozenwater en pommade van te maken, zoals in Franse fabrieken gebeurde. Maar dan moesten de rozenblaadjes daar natuurlijk wel naartoe gebracht worden. Pogingen in die richting leidden echter niet tot resultaat.
Eind 1896 werd tenslotte besloten om op de oude voet voort te gaan en de handel via opkopers aan de parfumindustrie te slijten. De Wassenaarse telers hadden evenwel geluk. In 1898 leefden de prijzen namelijk weer op, tot drie gulden voor een kilo gedroogde rozenblaadjes. Dat prijsniveau hield lang stand, om uiteindelijk weer te zakken tot 1 of 1,50 gulden per kilo. Tegen 1930 was het afgelopen met de Wassenaarse rozenteelt.
Albert Clobus