Naar aanleiding van mijn verhaal over de Schulpsloot (Actueel Verleden 396 en 397), die zijn naam dankte aan het transport van schelpen, bereikten mij vragen over het schelpenvissen te Wassenaar. Daarom hier enkele opmerkingen over dit in Wassenaar reeds lang verdwenen bedrijf.
Schelpenvisserij aan de stranden van het graafschap Holland en de verwerking van de schelpen in kalkbranderijen tot bestanddeel voor metselspecie, kwam al voor in de 14e eeuw, zo blijkt onder meer uit de rekeningen van de grafelijkheid. Mogelijk waren toen ook te Wassenaar schelpenvissers actief, maar de oudste bewijzen daarvan vinden we pas in 17e-eeuwse archiefstukken. Over de aantallen schelpenvissers te Wassenaar zijn we slecht ingelicht. Het in 1799 gepubliceerde deel Rhijnland van de Nederlandsche Stad - en Dorp-beschrijver sprak slechts over “eenige schulprijders”, een destijds veel gebruikte aanduiding voor schelpenvissers. Uit genealogische bronnen weten we dat zich hieronder leden van de families Van den Barselaar en Kortekaas bevonden. Rond 1832 waren tenminste acht schelpenvissers werkzaam, van wie er zes een eigen huis(je) bezaten. Tegen het einde van de 19e eeuw werkten er tien in Wassenaar. Voor de meesten was dit toen het belangrijkste middel van bestaan. In 1894 leverden hun inspanningen 4700 kubieke meter schelpen op, die ze voor 1,60 gulden per kuub konden verkopen, zo valt te lezen in het verslag van de uitkomst van een onderzoek naar de schelpenvisserij langs de Noordzeekust uit 1896. Verreweg het grootste deel van de schelpen was bestemd voor de kalkbranderijen, die bijvoorbeeld in Leiden en Valkenburg stonden. Het overige deel werd gebruikt om als verharding op paden te strooien of om optrekkend vocht in muren tegen te gaan door het onder de fundering aan te brengen.
Inhoudelijke mededelingen over leven en bedrijf van de schelpenvissers zijn schaars. Pas in de 19e eeuw lezen we daarover iets. In zijn voor kinderen bestemde roman De zoon van den schulprijder schetste Eduard Gerdes in 1855 een armoedig beeld van het leven van de Wassenaarse schelpenvissers. Een aantal van hen kon van de opbrengst van de schelpen niet leven en had neveninkomsten nodig uit bijvoorbeeld een boerenbedrijfje. In de eerste helft van de twintigste eeuw was dit niet veel anders, zo blijkt uit de interviews met Leen Kortekaas in de Wassenaarse bladen. Ook Peter Kortekaas schreef hier eerder over in Actueel Verleden. Hoofdpersoon in deze artikelen was hun vader, respectievelijk grootvader, Petrus Kortekaas (1881-1955). Deze begon rond 1900 als schelpenvisser en hield dit bijna een halve eeuw vol. Daarnaast had hij een kleine veehouderij. De stal was achter het woonhuis aan de Achterweg; de weide lag buiten de kom van het dorp.
In het tweede deel van dit verhaal zal ik ingaan op de inhoud van de werkzaamheden van de schelpenvissers.
Albert Clobus

De Wassenaarse schelpenvisser Petrus Kortekaas (1881-1955) met een strijkbeugel in de hand (foto gemaakt door een onbekende fotograaf, vermoedelijk in de jaren 1930, uit: L.G. Oosterling, “Wassenaar in oude ansichten”.