Als er in een boerengezin meerdere kinderen waren, waren deze niet allemaal nodig in het bedrijf van de ouders; een deel van hen ging het huis uit om elders de kost te verdienen. Vooral als er sprake was van een wat grotere boerderij en er naar gestreefd werd het bedrijf te continueren, was het voor de ouders een hele zorg om uit te maken wie van de kinderen daarvoor het meest geschikt was. Daarbij hadden zonen de vrijwel absolute voorkeur boven dochters. Wie van de zonen het uiteindelijk werd, was afhankelijk van hun geschiktheid en ambitie, en ook van de situatie of hun broers zich al elders op een passend boerenbedrijf hadden kunnen vestigen.
Toch was het niet zo dat dochters nooit een kans kregen. Wel moest de gezinssamenstelling dan voldoen aan de voorwaarde dat er geen – geschikte – zoon was. Een voorbeeld van zo’n bedrijfsopvolging in Wassenaar vond ik in de 19e eeuw op boerderij Welgelegen. Het boerderijgebouw bestaat nog altijd en dient sinds de jaren 1940 als vestigingsplaats van de Stichting Nationale Dierenzorg, aan de Zijdeweg 56. In 1812 werd deze boerderij met ruim 28 ha wei-, hooi- en teelland gekocht door Gerardus Kok. Een voor die tijd kapitale boerderij waar altijd ook een paar knechten en meiden meewerkten. Op het moment van de koop had Gerardus drie dochters van 10, 12 en 16 jaar oud en er zouden geen kinderen meer bij komen. Hij overleed op 2 april 1826, zijn vrouw, Maria van Veen, overleed een kleine vier jaar later, op 14 januari 1830. Van de drie dochters is Cornelia dan inmiddels getrouwd en het huis uit gegaan. De twee andere, Apolonia en Alida, zijn nog ongehuwd en wonen en werken nog op de boerderij.
Na het overlijden van hun moeder, boeren de zussen Apolonia en Alida samen verder. Gebouwen en landerijen zijn dan, na verdeling van de erfenis, hun eigendom geworden. Dat duurt twee jaar en dan trouwt Alida op 27 april 1832 met de zes jaar jongere Jacobus Westgeest. Het jonge stel blijft wonen op Welgelegen en hoewel Jacobus ook vaardigheden had als wagenmaker, geeft hij voor zijn huwelijksakte op, dat zijn beroep “bouwman” (boer) is. Ze krijgen er drie kinderen en vertrekken daarna naar Den Haag, ergens tussen midden 1836 en midden 1837.
Zus Apolonia zet nu de boerderij alleen voort. Dat duurt twee jaar en dan trouwt ze, inmiddels 42 jaar oud, op 24 mei 1839, met de elf jaar jongere Maarten Kloot. Opmerkelijk is dat we Maarten ook tien jaar eerder al in het gezin Kok aantroffen, namelijk tijdens de Volkstelling van 1829, toen nog als arbeider. Het lijkt een godsdienstig gemengd huwelijk te worden, wat echter wordt voorkomen doordat hij katholiek wordt. Opmerkelijk is ook dat hij, zo blijkt uit de huwelijksakte, niet kon schrijven. Maar dat had kennelijk niet verhinderd dat hij zich voor de bedrijfsvoering onmisbaar had weten te maken.
Gezien de leeftijd van Apolonia is het niet verwonderlijk dat er geen kinderen kwamen. Samen boeren ze verder op Welgelegen, totdat Maarten op 21 februari 1856 als eerste overlijdt. Apolonia, dan 61 jaar oud, hertrouwt niet meer en bestiert de boerderij nog vier jaar alleen, als “bouwvrouw”. Ze overlijdt uiteindelijk op 65-jarige leeftijd op, zoals de notaris noteerde, “de bouwmanswoning aan de zijde[weg]”. Daarmee was het tijdperk van de gezusters Kok definitief voorbij.
Marry Niphuis-Nell