Zeven jaar, van 1974 tot 1981, werd er gegraven op het kasteelterrein van het in 1738 afgebroken Huis ter Weer (tussen de Seringenlaan en boerderij Ter Weer). In die jaren verscheen vrijwel de gehele ‘fine fleur’ van de Nederlandse archeologie op het opgravingsterrein: van mevrouw dr. W. Groenman-van Waateringe tot prof. J.G.N. Renaud, prof. L.P. Louwe Kooijmans en prof. H. Brunsting. De laatste groef zelfs een paar maanden mee toen opzienbarende klokbekerscherven aan de oppervlakte kwamen. In de komende jaren zou blijken dat het terrein niet alleen een schat aan middeleeuwse voorwerpen opleverde, maar dat het er ook rijk was aan overblijfselen uit de prehistorie.
Het kasteel zelf liet ondertussen weinig van zich zien. De funderingen bleken bij de sloop in 1738 bijna volledig uitgebroken te zijn. Wat nog restte waren de fundering van een tuinmuur, een bruggenhoofd en een enkele muurrest van het kasteel zelf. Het bruggenhoofd gaf de plaats aan van een brug waarover men in vroeger tijd het kasteelterrein betrad. Ook van het poortgebouwtje dat dan gepasseerd werd, was de fundering nog aanwezig. Daarnaast is een groot aantal waterputten aangetroffen. Die bleken soms nog interessante gebruiksvoorwerpen te bevatten, zoals een zilveren dekseltje, diverse munten en gebruiksaardewerk De restanten van het poortgebouw en de tuinmuur bleken goed te koppelen aan 17de- en 18de-eeuwse tekeningen door Roelant Roghman en anderen van het kasteel in welstand. Daarmee kon de locatie van het kasteel heel nauwkeurig in kaart worden gebracht. Verder gaven ook de dichtgegooide grachten een indicatie voor de ligging van het huis. De buitenste gracht bevatte een schat aan weggegooide 17de-eeuwse huisraad: borden, kannen, glaswerk en allerlei kleine voorwerpen. De binnenste gracht was veel smaller en deze bevatte middeleeuws materiaal, dat uiterst voorzichtig uit de bodem werd gepeuterd. Tot de bijzonderheden uit deze gracht behoren onder andere enkele houten nappen, benen schakels van een ketting, de zijkant van een houten draagberrie en resten van schoenen. Met name het gevonden aardewerk is goed te dateren. Diverse stukken stammen uit het eind van de 13de eeuw, zodat mag worden aangenomen dat het Huis ter Weer toen al bestond. Overigens wordt Ter Weer in de archieven voor het eerst vermeld in 1324, als Philips van Wassenaer het goed in leen geeft aan Philip Hughenzoon. Ook de vondst van grote aantallen kloostermoppen op het terrein geeft aan dat er in de 13de eeuw een stenen gebouw op het terrein stond. Over de gedaante van het middeleeuwse huis valt vooralsnog slechts te speculeren. Dankzij de al genoemde tekeningen en de teruggevonden funderingen weten we dat het huis vanaf ca. 1600 het karakter had van een bescheiden herenhuis. Een aangebouwde toren en het feit dat het terrein omgeven was door een tuinmuur en een gracht gaven het huis nog enige allure (wordt vervolgd).
Robert van Lit