Op het terrein is niets dat nog herinnert aan het kasteel dat hier tot 1738 stond. Of toch: naast de eigenlijke locatie staat boerderij Ter Weer, de eeuwenoude hoeve die eertijds fungeerde als kasteelhoeve. Op het kasteelterrein zelf, tussen de boerderij en de Seringenlaan, is nu een parkje met een rare ‘geluidswal’ en diverse bosschages. Dertig jaar geleden bood deze plek een totaal andere aanblik: het was een weiland met een redelijk open doorzicht van de Deijlerweg tot ver over de Zijlwatering. Direct ten zuiden van de boerderij werd het weiland doorsneden met sleuven en grote werkputten en her en der lagen grote bergen uitgegraven zand. Te midden van dit alles waren ca. twintig amateur-archeologen iedere zaterdag bezig met de grootste opgraving die Wassenaar ooit gekend had. De opgraving van het Huis ter Weer duurde van 1974 tot 1981 en leverde een schat aan archeologische voorwerpen en gegevens op.
Aanleiding tot de opgraving was het plan van de gemeente om even ten noorden van de Seringenlaan de Noordelijke Randweg aan te leggen, een aftakking van de Rijksstraatweg naar de Katwijkseweg. Enkele leden van de Historische Vereniging Oud Wassenaer realiseerden zich dat door de aanleg van deze weg de eventuele resten van het kasteel onder het maaiveld wel eens grote schade konden oplopen. Vandaar het idee om die eventuele funderingen door een verkennende opgraving te documenteren. Het was de gepassioneerde amateur-archeoloog (en meubelmaker) A.A.G. van der Kleij die het voortouw nam en samen met een groepje enthousiastelingen in 1974 een aantal kijkgaten in het weiland maakte. Van der Kleij had een uitstekende neus voor archeologische vondsten en al spoedig ontdekte hij dat er nog wel wat muurwerk in de grond verborgen zat. In het daaropvolgende jaar sprong de gemeente bij en kon met een graafmachine een reeks sleuven worden getrokken. Daarbij stuitte men onder meer op een stenen bruggenhoofd en een aantal waterputten. Uit één van die putten kwam een kostbare gouden ring uit de periode 1350-1370, een vondst die jaren later tot een juridisch steekspel tussen de vinder en de gemeente zou leiden. De voorzitter van de historische vereniging, mr. C.A. van Gorcum, nam het voortouw om de opgraving in meer professionele banen te leiden. In overleg met de provinciaal archeoloog Herbert Sarfatij formeerde hij een uit ca. twintig personen bestaande werkgroep die vanaf de zomer van 1976 de opgraving ter hand ging nemen. Tot de vaste kern van deze groep behoorden onder anderen de Leidse jurist Marten Roest, de geschiedenisleraar Bram Bakels, marineman Peter de Geus, beveiligingsdeskundige Piet van Alphen en de schrijver van dit artikel die speciaal werd belast met het tekenwerk. In totaal hebben zo’n honderd mensen meegegraven op Ter Weer, met een gemiddelde bezetting van zo’n twintig man. Van der Kleij deed in het begin nog even mee, maar nu de leiding bij anderen lag concentreerde hij zich liever op zijn werk als rubriekschrijver over de geschiedenis van Wassenaar. De groep amateurs werd begeleid en geïnstrueerd door de archeologiestudent Epko Bult (wordt vervolgd).
Robert van Lit