Frits Salm
Yvonne Salm-Sasserath
Lydia Salm
Frits Salm ziet het levenslicht in het Limburgse Sittard op 6 juni 1890. Iets meer dan een jaar later wordt zijn broertje Michel Willy (1891-1976) geboren. De ouders van Frits en Michel zijn Meijer Salm (1840-1909) en Sophia Falk (1860-1942).
Meijer is eerder getrouwd geweest met Elfriede Neukamp (1845). Zij overlijdt begin 1866 op 40-jarige leeftijd. Elfriede en Meijer hebben elf kinderen gekregen waarvan er zeker drie, maar waarschijnlijk vijf als baby of kind zijn overleden.
Drie jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw trouwen Meijer en Sophia in het Duitse Güsten bij Jülich, de geboorteplaats van Sophia. Na hun huwelijk blijft het gezin wonen in Sittard. Frits en Michel groeien op in een groot samengesteld gezin met meerdere oudere halfbroers en halfzussen en brengen hun jeugd grotendeels door in Sittard.
In de loop van de 19e eeuw neemt de bevolking in Sittard sterk toe. In het geboortejaar van Frits zijn er al twee keer zoveel inwoners (ruim 6.000) als aan het begin van die eeuw. Ook de economie van het stadje maakt aan het eind van die eeuw een sterke opleving door. Dit is voor een groot deel te danken aan de opkomst van de mijnbouw die in de eerste tijd na 1900 nog veel belangrijker wordt.
De vader van Frits is een ondernemende man en profiteert van het gunstige economische tij in dat deel van Limburg. In 1883 kopen Meijer en zijn broer Salomon in het nabijgelegen Nuth de Kathagermolen[1] en laten de broers het molengebouw vernieuwen, de beek uitdiepen en verbreden, terwijl ook de sluizen en het waterrad worden vervangen. Het bezit van de molen gaat in 1901 over in een vennootschap van Meijer, zijn broer Salomon en de zoon van Meijer, Salie. In de eerste jaren van de twintigste eeuw breidt de Gebr. Salm de molen uit met schuren en stallen. In 1907 trekt Meijer zich terug als vennoot en vanaf dat moment zijn Salomon en Salie samen de eigenaar. Twee jaar later, in 1909, overlijdt Meijer. Frits is dan bijna 20 jaar en bij hem is handelen in granen, zaden, meel en veevoeders met de paplepel ingegoten. Ook Frits wordt graanhandelaar en treedt daarmee in de voetsporen van zijn vader, oom en halfbroer.
Op 27 januari 1917 verhuist Frits naar Rotterdam en gaat wonen in de Witte de Withstraat. Ruim twee jaar later trouwt hij in de Maasstad met de 18-jarige Yvonne Sasserath. Zij is de oudste van drie kinderen van een Antwerpse tandarts en geboren op 6 februari 1901 in de stad aan de Schelde. Het jonge stel gaat wonen aan de Heemraadssingel 56a in Rotterdam. Daar kondigt zich op 4 november 1920 de geboorte aan van hun dochter Lydia. Kort hierna volgt een verhuizing naar een ander adres in dezelfde straat met als huisnummer 249. Inmiddels is Frits lid geworden van de Rotterdamse vrijmetselaarsloge De Drie Kolommen[2].

Adriaan Goekooplaan 7, 1932 (foto Haags Gemeentearchief).
Wanneer Lydia ongeveer tien jaar oud is, verhuist het gezin naar Den Haag waar het aanvankelijk gaat wonen aan de Adriaan Goekooplaan 7. Het is een villa die ontworpen is door D. Roosenburg. In het weekblad Het Landhuis wordt in de editie van 6 juli 1932 zowel de tuin als het interieur beschreven:
“We beginnen onze “bijzondere bladzijden” thans met enige foto’s van de tuin van de familie Frits Salm, ’s Gravenhage; de villa waarbij deze tuin behoort, is gebouwd door Ir. D. Roosenburg b.i.. Villa en tuin vormen een fraai geheel. De strenge architectonische lijnen verloopen in tuinmuurtjes, trappen en terrassen, zoodat het huis zich als het ware in de tuin voortzet. De foto’s van deze tuin zijn van A. Peperkamp.”

Tuin Adriaan Goekooplaan 7, Weekblad Het Landhuis 1932 (Delpher).
“Interieurs van de villa van de familie Salm, gebouwd door Ir. D. Roosenburg en ingericht door de Ned. Fabriek voor betimmeringen v.h. Gebr. Reens te Amsterdam. Foto’s van Menno Huizinga. Op de foto ziet men een hoekje in het verfijnd ingericht vertrek der dame. Van de toiletnis is een overtollig dakvenster benut. De lichtgroene kleur van de bespanning en de zachtgroene vloerbedekking (moquette) harmonieeren fraai met de donkere warme kleur van de palissanderhouten betimmering. (……………) Het ontwerp is van Simon Krieks.”
Ook de kamer van Lydia wordt beschreven:
“De onderste foto toont de aardige en vroolijke kamer van de jonge dochter des huizes. De meubels dezer kamer zijn groen-grijs gelakt.”

Adriaan Goekooplaan 7, kamer van Lydia Salm, Weekblad Het Landhuis 1932 (Delpher).
Half juni 1938 verlaten Frits, Yvonne en Lydia de villa en gaan wonen op de Haagse Gevers Deynootweg 158. Het verblijf daar is zeer kort, want amper veertien dagen later volgt de verhuizing naar Wassenaar waar zij een woning betrekken aan de Bremhorstlaan 16. Frits is inmiddels directeur van de N.V. Hollandsche Goodson Handelsmaatschappij – Holland Goodson Trading Company en Lydia is werkzaam als secretaresse. De gezinsleden volgen de ontwikkelingen in Duitsland, zien een stijgend aantal Joodse vluchtelingen in ons land en zullen zich ongetwijfeld zorgen hebben gemaakt over de toekomst. Met de aanval van nazi-Duitsland op Polen is de Tweede Wereldoorlog een feit. Hoewel Nederland zijn neutraliteit aanvankelijk handhaaft, wordt ons land op 10 mei 1940 aangevallen. Vijf dagen later wordt de capitulatie ondertekend en volgt de bezetting. Met pijn in het hart zal het gezin kennis hebben genomen van het bombardement op de binnenstad van hun voormalige woonplaats.
Na de capitulatie lijkt het er aanvankelijk op dat het dagelijks leven zijn gewone gang gaat. Niets is minder waar, want anderhalve maand later worden de eerste anti-Joodse maatregelen afgekondigd. Begin 1941 wordt aangegeven dat “alle personen van geheel of gedeeltelijk Joodschen bloede” zich moeten melden. Er is geen ontkomen aan en ook Frits, zijn vrouw en dochter maken op 21 februari van dat jaar de gang naar het gemeentehuis De Paauw om zich aan te melden. Uit de nummering (167 t/m 170) van de uitgeschreven kwitanties voor legeskosten (fl. 1,- per geregistreerde), blijkt dat zij dit gelijktijdig doen met de moeder van Frits, Sophia Salm-Falk en Edgar[3] Daniels. De laatste is waarschijnlijk familie van Yvonne’s moeder. Beiden staan vermeld als inwonende personen op de Bremhorstlaan 16.

Kaart Joodsche Raad van Lydia Salm (Arolsen Archives).
In ons dorp verschijnen de eerste bordjes met het opschrift “Joden niet gewenscht”. Joodse medeburgers worden steeds meer in het nauw gedreven en proberen te ontkomen aan razzia’s en deportatie. Een mogelijkheid daartoe biedt de Joodse Friedrich Weinreb (1910-1988)[4] die gedurende twintig maanden vele Joden “redt” door ze tegen betaling op een fictieve lijst te plaatsen waarmee deze mensen hun deportatie kunnen uitstellen. Zelfs emigratie naar het onbezette deel van Frankrijk behoort tot de mogelijkheden. Zo biedt hij naar later blijkt, valse hoop aan mensen die wanhopig zijn. Lydia Salm werkt korte tijd op het kantoor van Weinreb dus is het goed mogelijk dat Frits de mogelijkheid heeft onderzocht om met zijn gezin op de (fictieve) lijst geplaatst te worden.
In een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders op 18 december 1941 wordt besloten om het bedrijf waarvan Frits directeur is, te ontbinden. Een mededeling hiervoor wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 22 december 1941 en is ondertekend door Frits Salm. Twee weken later op 8 januari 1942 meldt Frits in dezelfde Staatscourant “dat de rekening en verantwoording der liquidatie is gedeponeerd ten kantore van het Handelsregister te Rotterdam”. Blijkbaar heeft Frits niet willen wachten totdat door de bezetter een bewindvoerder wordt aangesteld en is hij de Duitsers een stap voor door zelf het initiatief te nemen. Kort hierna vlucht het gezin naar België. Duiken zij onder bij familie van Yvonne of is het hun intentie om naar het onbezette deel van Frankrijk of Zwitserland te vluchten? We zullen het nooit weten, want de namen van Frits, Yvonne en Lydia komen voor op de transportlijst die opgemaakt is op 27 augustus 1942. Het is aannemelijk dat het gezin voor deze datum is opgepakt en weggevoerd naar het doorgangskamp Mechelen, de voormalige Dossinkazerne[5].

Binnenplaats Kazerne Dossin, Mechelen, 1942 (foto: Kazerne Dossin-Fonds Kummer).
Eind juli 1942 komen in België de eerste deportaties op gang. De Jodenvereniging in België deelt kaarten voor tewerkstelling uit en de eerste Joden melden zich op 27 juli in de Dossin-kazerne in Mechelen. Wanneer het aantal Joden dat zich “vrijwillig” met een arbeidsbevel aanmeldt in het SS-Sammellager Mecheln (de Dossinkazerne) lager blijkt dan de bezetter verwacht, organiseert de Sicherheitspolizei-Sicherheitsdienst in de zomer van 1942 razzia’s. In Antwerpen vinden er vier grote razzia's plaats. In samenwerking met de lokale politie wordt de tweede razzia georganiseerd in de nacht van 28 op 29 augustus 1942. In de loop van de voormiddag van 29 augustus worden de gearresteerde Joden met vrachtwagens weggevoerd naar de Dossinkazerne. Daar worden die dag 943 in Antwerpen opgepakte Joden, in afwachting van hun deportatie, geregistreerd. 1053 Joodse mannen, vrouwen en kinderen worden vanuit de Dossinkazerne gedeporteerd, verdeeld over transporten VII en VIII.
Vanuit Mechelen worden Frits, Yvonne en Lydia op 1 september met konvooi Vll op transport gesteld naar Auschwitz. Op 80 kilometer ten westen van Auschwitz stopt de trein in Cosel[6]. Hier worden volgens de Duitsers voor arbeid geschikte mannen en jongens uit de trein gehaald om in de omliggende kampen te werken. Frits wordt echter niet geselecteerd. Waarschijnlijk omdat hij met 52 jaar te oud wordt bevonden. Na het oponthoud zet de trein zich weer in beweging en vervolgt het gezin het laatste stuk van de reis, hun dood tegemoet.

Interieur van één van de barakken in Auschwitz-Birkenau, 2018 (foto: Ton Beijersbergen).
Direct na aankomst in Auschwitz op 4 september 1942 worden zij omgebracht in één van de gaskamers van het vernietigingskamp. Frits is dan 52 jaar, Yvonne 41 en Lydia 21 jaar.
De moeder van Frits, Sophia Falk, overlijdt op 24 oktober 1942 in Voorburg.
Michel Willy Salm, de volle broer van Frits Salm, overleeft de oorlog en wordt bewindvoerder over de bezittingen van Frits Salm.
Monument Kazerne Dossin Mechelen (foto Kazerne Dossin, Ilse Liekens).

Bremhorstlaan 16 (foto: Mariëtte van Lit-Pieterse).
Om de herinnering aan Frits Salm,
zijn vrouw Yvonne Salm-Sasserath en
hun dochter Lydia Salm levend te
houden, liggen op dit adres drie
struikelstenen.

Foto Patrick Kop
©Ton Beijersbergen
Werkgroep Struikelstenen Wassenaar
https://www.oudwassenaer.nl/2e-wereldoorlog/struikelstenen
[1] De Kathagermolen is een watermolen met als functie het malen van graan. In 1960 wordt de molen buiten gebruik gesteld.
[2] De Vrijmetselarij is een internationaal verbreid en regionaal gestructureerd genootschap van mensen die streven naar geestelijke en morele verheffing, onderlinge waardering en wederzijdse hulp. De leden worden vrijmetselaars genoemd en spreken elkaar aan met broeder of zuster. Een loge binnen de Vrijmetselarij is een plaats van ontmoeting. Het kan een kamer zijn, een ruimte of een gebouw. Een passer en een winkelhaak vormen het symbool van de Vrijmetselarij.
[3] Op de persoonskaart van de gemeente Wassenaar staat de naam Edgard vermeld.
[4] Weinreb (1910-1988) stamt uit een Oost-Europese traditionele chassidische familie. Het gezin verhuist in 1916 van Wenen naar Nederland. Hij brengt zijn jeugd door in Scheveningen en studeert economie in Wenen en Rotterdam, waar hij in 1938 zijn doctoraalexamen haalt.
[5] Kazerne Dossin is een voormalige Belgische legerkazerne in Mechelen. De kazerne wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter gebruikt als doorgangskamp (SS-Sammellager Mecheln) om Joden en Roma vandaaruit te transporteren naar de concentratiekampen Auschwitz-Birkenau, Buchenwald en het vrouwenkamp Ravensbrück. Vanuit de Dossinkazerne worden 25.484 Joden en 352 Roma gedeporteerd. Minder dan vijf procent (1.252) keert terug. Aanvankelijk worden de Joden er verzameld via een tewerkstellingsbevel. Later gaat men over op een agressieve aanpak: in Antwerpen en Brussel worden razzia’s gehouden. In de zomer van 1942 worden de meesten gedeporteerd. In honderd dagen pakken Duitsers en Duits-gewillige Belgische politiemannen 16.873 Joden en Roma op van wie er slechts 385 overleven.
[6] De zogenaamde Coseltransporten zijn treintransporten die in de periode van 28 augustus tot 12 december 1942 plaatsvinden naar Auschwitz waarbij 9.000 gedeporteerde Joodse mannen uit Nederland, België en Frankrijk op het station van Cosel de trein moeten verlaten.