Marcus van Leeuwen
Henriëtte van Leeuwen-van Baale
Elizabeth Reijna van Leeuwen
Vlak voor de eeuwwisseling wordt op 6 december 1899 in Rotterdam Marcus (Mor) van Leeuwen geboren. Hij is de oudste zoon van Louis van Leeuwen (1875-1941) en Elizabeth van Leeuwen-Knap (1875-1916). Een jaar na de geboorte van Marcus wordt zijn broer Leendert (Leen) geboren (1900-1960). Drie jaar later is het gezin compleet met de geboorte van een dochter en zusje, Roosje van Leeuwen (1903-2000).
Vader Louis is eigenaar van het Rotterdamse bedrijf N.V. De Algemeene Laken en Bukskin[1] Handel dat gevestigd is aan de Delftsevaart 31. Marcus is pas 16 jaar oud wanneer zijn moeder in 1916 overlijdt. Twee jaar later hertrouwt Louis met Betje (Betsie) Engers (1883-1922). Helaas overlijdt ook Betje op 38-jarige leeftijd vrij snel na het huwelijk met Louis. Begin september 1924 treedt Louis voor de derde maal in het huwelijk, nu met Celine Speelman (1877-1942). Het echtpaar is woonachtig op de Provenierssingel 39. Hoewel het gezin niet praktiserend Joods is, komen de kinderen, en later ook de kleinkinderen, op vrijdagavond bij opa en oma op bezoek om daar challah/galle (sjabbat brood) en kippensoep te eten.

Advertentie Rotterdams Nieuwsblad, 15 mei 1940 (Delpher).
Ook Marcus trouwt in 1924, met Henriëtte (Jet) van Baale (1899-1943). Op 19 november 1929 wordt hun dochter Elizabeth Reijna (Lizzy) geboren. Een virale ontsteking veroorzaakt bij Lizzy kinderverlamming[2]. Het moet voor de jonge ouders een grote zorg zijn geweest. Lizzy is afhankelijk van een rolstoel en dagelijkse hulp bij de verzorging. Voor die hulp kunnen de ouders een beroep doen op Liesbeth Bosman (1910). Zij is verpleegster en woont vanaf 1934 in bij het gezin. Omdat er in die tijd nog geen aangepast onderwijs is, kan Lizzy door haar beperkingen niet naar school en verzorgt Liesbeth ook het thuisonderwijs.
Zowel Marcus als zijn jongere broer Leen zijn werkzaam in het bedrijf van hun vader. De economische malaise die in oktober 1929 in de Verenigde Staten ontstaat na de “Beurskrach”, moet ook in de jaren dertig merkbaar zijn geweest in de havenstad Rotterdam. Ongetwijfeld zal het van invloed zijn geweest op de handel van het familiebedrijf. Het aantal werklozen in Nederland bedraagt in 1930 circa 150.000 en stijgt in vijf jaar naar een hoogtepunt van bijna 600.000.
Het zal de familie Van Leeuwen niet zijn ontgaan dat ons buurland Duitsland niet alleen kampt met een economische recessie, maar dat er ook in politiek opzicht een andere wind waait. In 1933 is daar de N.S.D.A.P.[3] van Adolf Hitler aan de macht gekomen en worden de leefomstandigheden voor Joden gaandeweg steeds slechter. Velen van hen maken zich zorgen om de toekomst en zoeken een goed heenkomen in het neutrale Nederland in de hoop dat ons land ook deze keer gespaard zal blijven voor een oorlog.

Marcus en Henriëtte tijdens een bootreis in de jaren twintig
(foto: familie Van Klaveren).
Helaas blijkt dit ijdele hoop wanneer in de vroege ochtend van 10 mei 1940 Nederland door nazi-Duitsland wordt aangevallen. Er wordt hevig gevochten om de Residentie, de vliegvelden, de bruggen, de Afsluitdijk en de Grebbeberg. Ook in Rotterdam wordt hevig gevochten om de Maasbruggen waar Nederlandse mariniers vier dagen stand weten te houden. Het duurt de Duitsers veel te lang en met het bombardement op 14 mei op de historische binnenstad is het pleit snel beslecht. Het oude centrum is één vlammenzee. Er komen ruim zevenhonderd mensen om en ongeveer 80.000 inwoners raken dakloos. Meer dan 24.000 woningen, 32 kerken en 2 synagogen worden in de as gelegd.
Ook het bedrijfspand van de Van Leeuwens aan de Delftsevaart wordt niet gespaard en valt ten prooi aan de vlammen. Op 15 mei, de dag na het bombardement en de dag waarop Nederland capituleert, plaatst het bedrijf een advertentie in het Rotterdams Nieuwsblad waarin wordt gemeld dat “administratieve boodschappen voortaan niet meer naar de Delftsevaart 31, maar naar de Walenburgerweg 94B kunnen”, het adres waar Marcus en zijn gezin wonen. Kort na de capitulatie trekt het Duitse leger ons land binnen en vanaf begin juli 1940 worden de eerste anti-Joodse maatregelen afgekondigd.

Oudejaarsavond 1934. Tweede van links is Marcus, aan het hoofd van de tafel zit Louis van Leeuwen
(foto: familie Van Klaveren).
Op 6 januari 1941 overlijdt Louis van Leeuwen. Samen met Leen neemt Marcus de zaak waar.
Vier dagen later, op 10 januari 1941, volgt “de aanmeldingsplicht van alle personen van Joodsche bloede”. Ook in Wassenaar laten Joodse inwoners, tegen betaling van fl. 1,- aan legeskosten, zich registreren. Aan het eind van diezelfde maand vinden in Amsterdam de eerste razzia’s plaats. Hierbij worden 427 Joodse mannen opgepakt en gedeporteerd[4]. Deze razzia’s vormen de aanleiding van de Februaristaking op 25 februari 1941.
Begin mei van dat jaar verhuist het gezin van Marcus, samen met Liesbeth, naar het nog relatief rustige Wassenaar en betrekt een nieuwe woning aan de Jonkerlaan 75. Een kleine maand later verstuurt de gemeente Wassenaar aan “Die Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam”[5] in vijfvoud de complete lijst van Joodse inwoners. Korte tijd later krijgen Joodse dorpsgenoten bezoek van de Hausraterfassungsstelle[6].

Marcus met zijn dochter Lizzy, begin jaren dertig
(foto: familie Van Klaveren).
Ook uit een andere hoek krijgt Marcus te maken met een onverwachte tegenslag. In het Leidsch Dagblad van 16 juni 1942 wordt melding gemaakt van een inbraak in het bedrijfspand van de firma Van Leeuwen: “Manufacturendieven aangehouden. De politie te Rotterdam heeft twee mannen aangehouden die bekend een inbraak te hebben gepleegd in den laken- en bukskinhandel L. van L. te Rotterdam en daarbij voor een waarde aan 1700 gulden aan rollen en coupons stoffen te hebben ontvreemd. De diefstal was gepleegd met behulp van een derde man, die nog voortvluchtig is. De beide gearresteerden, de 19-jarige betonwerker (….) en de 20-jarige expediteur (….) zijn ter beschikking gesteld van de justitie.”

Lizzy, geschilderd omstreeks 1935
(foto: familie Van Klaveren).
Mogelijk hebben deze ontwikkelingen een rol gespeeld bij de verhuizing van de familie Van Leeuwen en Liesbeth op 10 juli 1942 naar Rotterdam waar zij gaan wonen op Schepenstraat 73. Het kan ook zijn dat de verhuizing afgedwongen werd door de bezetter of dat zakelijke belangen hieraan ten grondslag liggen, want het bedrijf van Marcus en Leen levert ook goederen aan de Duitse Wehrmacht. Dit laatste verklaart misschien ook waarom Marcus en zijn gezin lange tijd ongemoeid worden gelaten. Toch zullen zij zich grote zorgen gemaakt hebben over hun nabije toekomst. De stiefmoeder van Marcus, Celine van Leeuwen-Speelman, wordt in oktober 1942 opgepakt en via Kamp Westerbork gedeporteerd naar Auschwitz waar zij op 2 november van datzelfde jaar wordt vermoord.
Op 26 februari 1943 wordt in de Maasstad op bevel van de bezetter het Joods ziekenhuis, het bijbehorende bejaardentehuis en een weeshuis ontruimd door Nederlandse WA[7] en de Sicherheitsdienst. Tweehonderd zieken, ouderen, kinderen en eenenzestig verpleegkundigen gaan op transport naar Westerbork.

Henriëtte, Marcus en Lizzy, begin jaren veertig
(foto: familie Van Klaveren).
Waarschijnlijk hebben Marcus en zijn vrouw Henriëtte dan al besloten om te vluchten. Ook het gezin van Roosje van Klaveren-van Leeuwen (de zus van Marcus) probeert om via België en Frankrijk het veilige Zwitserland te bereiken. De man van Roosje is secretaris/penningmeester van de Nederlandse Boksbond en is ook internationaal boksscheidsrechter. Uit die wereld zijn er contacten ontstaan die de beide gezinnen willen helpen bij het uitvoeren van hun plannen. Hun contactman is “ome Jan”. De twee gezinnen zullen onafhankelijk van elkaar reizen en spreken af, dat bij een eventuele geslaagde vluchtpoging, als een soort code, een prentbriefkaart verstuurd zal worden naar de achterblijvers, zodat familie weet dat men veilig is aangekomen.
Op 4 maart 1943 begint het gezin van Roosje, bestaande uit haar man David en hun drie kinderen Jacob, Liesje en Louise, aan hun riskante vluchtpoging. Een passeur reist vanuit Noord-Brabant onopvallend en apart van het gezelschap met hen mee.
Met valse documenten en met weinig bagage komen zij aan in Antwerpen. Daar blijkt al snel dat de valse papieren niet kloppen en ook de contactpersoon verschijnt niet op de afgesproken plaats. Dit wekt de argwaan van David en Roosje. Uit de tijd van zijn loopbaan als scheidsrechter kent David een contact in de Scheldestad. Die man heeft een café in de buurt van het station, maar de vraag is of hij te vertrouwen is. Gelukkig blijkt dat het geval te zijn en het gezin brengt in het café de nacht door. Na het inwisselen van wat sieraden wordt er voor nieuwe documenten gezorgd en kan de reis worden voortgezet.
Vanwege de geallieerde bombardementen op stations en spoorlijnen gebeurt dat via een omweg: Antwerpen – Parijs – Straatsburg. Voor de veiligheid is het gezin gesplitst in twee groepjes met elk een passeur. Uiteindelijk komt de Frans-Zwitserse grens in zicht. Het is nog even schrikken wanneer een passerende Duitse soldaat om een vuurtje vraagt. Bij de grens zegt de passeur, terwijl hij naar een boerderijtje wijst: “dat boerderijtje daar is Zwitserland”. Het gezin komt aan in Porrentruy, dat ongeveer 50 km ten zuidwesten van Basel ligt. Bij een stationnetje is een Zwitserse vrouw hen behulpzaam en waarschuwt: “Zorg dat de Zwitsers je niet pakken, want anders zetten ze jullie de grens over”. De vrouw leent hun ook geld voor de treinkaartjes en geeft een adres waar het gezin veilig kan aankloppen. Vluchtelingen zijn pas veilig als ze het Nederlands Consulaat in Bern weten te bereiken. Via deze plaats reist het gezelschap drie weken later naar Montreux waar het de rest van de oorlog verblijft. De jongere kinderen gaan er naar de Nederlandse Julianaschool[8]. Jacob, de oudste, bezoekt in Glion, een plaats onder de rook van Montreux, het Prinses Beatrix Lyceum. Vanwege een uitbraak van tyfus keert het gezin pas in augustus 1945 terug in Nederland.
Ruim een week na het vertrek van het gezin van Roosje en David, slaan ook Marcus, Henriëtte en Lizzy de deur achter zich dicht en beginnen aan hun vluchtpoging. Een in alle opzichten moeilijke onderneming, want Liesbeth reist niet mee. Het drietal is dus helemaal op elkaar aangewezen en de handicap van Lizzy maakt de reis extra zwaar. Ook zij reizen met hulp van dezelfde organisatie die hen van reisdocumenten en contacten voorziet. Wat er na het vertrek is gebeurd, is vooralsnog onbekend. Hebben de slechte reisdocumenten een rol gespeeld, waren het de onbetrouwbare contacten of is er misschien iets anders gebeurd?
Het is aannemelijk dat het gezin, kort na hun vertrek, ergens in Noord-Brabant of bij het passeren van de Nederlands-Belgische grens is aangehouden, want zij worden overgebracht naar Kamp Vught. Van hieruit worden Henriëtte en haar dochter Lizzy op 9 mei 1943 op transport gesteld naar Westerbork en belanden daar in barak 51. Marcus komt op 24 mei aan in Westerbork en wordt vanwege zijn vluchtpoging ondergebracht in strafbarak 67. Nog diezelfde maand wordt het van elkaar gescheiden gezin gedeporteerd naar Sobibor. Lizzy en haar moeder op 18 mei. Het is het 64ste transport uit Westerbork bestaande uit 48 wagons met daarin 2511 gedeporteerden waarvan 620 kinderen, waaronder de 13-jarige Lizzy. Drie dagen na het vertrek uit Westerbork worden moeder en dochter in Sobibor vermoord. Henriëtte is dan 43 jaar oud.
Marcus moet hebben geweten van het transport van zijn vrouw en dochter. Het moet voor hem een ondraaglijke gedachte geweest zijn, dat zijn geliefden zonder hem een zekere dood tegemoet gaan. Een week later maakt hij met 2861 anderen dezelfde reis naar Sobibor. Ook hij wordt direct na aankomst vermoord. Marcus is 43 jaar oud.
Voor het gezin van Marcus van Leeuwen en Celine van Leeuwen-Speelman staat er een gedenkteken op de Joodse Begraafplaats Toepad in Rotterdam.

Gedenkteken familie Van Leeuwen, Joodse Begraafplaats Toepad, Rotterdam
(foto Ton Beijersbergen).

Jonkerlaan 75 (foto: Mariëtte van Lit-Pietersen)
Ter nagedachtenis aan Marcus van Leeuwen,
zijn vrouw Henriëtte van Leeuwen – van Baale en
hun dochter Lizzy van Leeuwen liggen er op
dit adres drie struikelstenen.

Foto Jan van der Plas
©Ton Beijersbergen
Werkgroep Struikelstenen Wassenaar
https://www.oudwassenaer.nl/2e-wereldoorlog/struikelstenen
[1] Bukskin of wolleer is een dikke, licht geruwde stof die heel of half geschoren is. De stof is geheel of gedeeltelijk uit wol vervaardigd en werd gebruikt voor herenkleding.
[2] Kinderverlamming (polio) een door een virus veroorzaakte ontsteking van het ruggenmerg waardoor blijvende verlamming van armen of benen kan ontstaan.
[3] Nationaal Socialistische Duitse Arbeiders Partij.
[4] De meesten worden gedeporteerd naar het concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk. Slechts twee mannen overleven de oorlog. Zij zijn doorgestuurd naar het concentratiekamp Buchenwald.
[5] Die Zentralstelle für jüdische Auswanderung (letterlijke vertaling: Centraal Bureau voor Joodse emigratie) in Amsterdam organiseert vanaf het voorjaar van 1941 tot het najaar van 1943 de deportatie van Joden uit Nederland naar concentratiekampen in Duitsland en Polen.
[6] Een Duitse organisatie die zich richt op het in kaart brengen van alle roerende goederen die joden achter moeten laten bij hun gedwongen verhuizing of deportatie.
[7] De Weerbaarheidsafdeling (WA) is de geüniformeerde ordedienst en knokploeg van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB).
[8] Een voormalig onderkomen voor verlofgangers uit Ned. Indië die daar konden wennen aan het Europese klimaat alvorens naar Nederland te gaan voor verlof. Tijdens de oorlog gebruikt als lagere school voor kinderen van Joodse vluchtelingen.