Martha Lazarus
Auguste Lazarus
Clara Lazarus
Op 20 maart 1866 verlooft Julius Lazarus (1833-1903) zich met Hulda Calé (1839-1905). Zij is afkomstig uit het stadje Kepno dat ongeveer 80 km ten oosten van Breslau[1] ligt. Sinds 1857 is Hulda bevoegd lerares. In het jaar van hun verloving treden Julius en Hulda in het huwelijk en gaan wonen in Breslau. Daar wordt in 1867 of 1868 hun eerste kind geboren, het is een meisje en krijgt de naam Felicia[2]. Het is niet bekend waarmee Julius als kostwinner zijn brood verdient.
Op 21 mei 1869 is er gezinsuitbreiding met de geboorte van dochter en zusje Martha. Dertien maanden later, op 2 juli 1870, ziet Auguste het levenslicht. Met de komst van Clara op 8 december 1871 is het gezin compleet. De vier meisjes brengen hun jeugd door in Breslau.
Op enig moment verhuist het gezin naar Duitsland, maar het is niet duidelijk wanneer en waarom deze verhuizing heeft plaatsgevonden. Tussen 1903 en 1905 wonen de ouders in Charlottenburg, een welvarende stad ten westen van Berlijn[3] en staan ingeschreven op een adres in de Pestalozzistraße. Aangenomen wordt dat de dochters op dat moment zelfstandig wonen.
In juni 1903 overlijdt Julius Lazarus op ongeveer 70-jarige leeftijd. Twee jaar later, in september 1905, overlijdt ook Hulda. Beide ouders vinden hun laatste rustplaats op de Joodse begraafplaats Weißensee[4].
Martha en Clara komen we tegen in het Berliner Handelsregister van 1931. Ze staan daar te boek als “Geschwistern Lazarus 1908, Martha und Clara Lazarus” met als adres Tauentzienstraße 11. Een deftige straat vlakbij de Gedächtniskirche en de Kurfürstendamm waar ook het bekende Kaufhaus des Westens is gevestigd. In het statige pand is het

De Tauentzienstraße in Berlijn met op de achtergrond de Gedächteniskirche, 1926 (Nationaal Archief,
Fotocollectie Van de Poll (1926), via Wikimedia Commons).
Blusenhaus van de ondernemende dames gevestigd. Hun namen komen we ook tegen in het Jüdische Adressbuch von Gross-Berlijn 1931-1932. Het zijn de jaren waarin de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) van Adolf Hitler zich manifesteert en inspeelt op de slechte economische en instabiele politieke situatie in Duitsland. Steeds nadrukkelijker wordt gewezen naar het Joodse deel van de Duitse bevolking als schuldige van de malaise.
Ongetwijfeld zullen de ongehuwde zussen Lazarus zich zorgen hebben gemaakt over de snel veranderende situatie in hun land en zich hebben afgevraagd of er in “het nieuwe Duitsland” nog wel een toekomst was. Die vraag wordt concreet wanneer in 1933 Hitler als Rijkskanselier aan de macht komt en kort daarna de opdracht geeft tot de bouw van het eerste naziconcentratiekamp Dachau[5]. Op 1 april van dat jaar wordt er een algemene boycot afgekondigd tegen Joodse winkeliers en kort hierna worden alle Joodse ambtenaren ontslagen. Vanaf dat moment verslechtert de situatie voor Joden met de dag. Twee jaar later worden de zogenaamde Neurenberger wetten uitgevaardigd waarin onder andere is bepaald dat Joden niet meer met personen van Duits bloed mogen trouwen. Het Joodse deel van de Duitse bevolking komt steeds meer in een isolement, wordt gedegradeerd tot tweederangsburgers en buitengesloten van het maatschappelijk verkeer.
De Jodenhaat bereikt een voorlopig dieptepunt tijdens de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938. Het is een door de nazi’s opgezette pogrom[6] waarin opgehitste massa’s in heel Duitsland Joodse huizen, winkels en synagogen aanvallen en vernielen. 1400 Synagogen gaan die nacht in vlammen op, zo’n 26.000 Joden worden opgepakt en een onbekend aantal wordt vermoord. Ook de wijk waar de zussen Lazarus wonen, ontkomt niet aan het nietsontziende geweld tegen Joden.
De Duitse schrijver en dichter Erich Kästner schrijft over de gebeurtenissen:
"Toen ik op 10 november 1938 rond drie uur 's nachts in een taxi door de Berlijnse wijk Tauentzien reed, hoorde ik aan beide kanten van de straat glas klinken. Het klonk alsof tientallen treinwagons vol glas omvielen. Ik keek uit de taxi en zag links en rechts, voor ongeveer elk vijfde huis, een man staan die met een machtige zwaai een winkelruit met een lange ijzeren staaf insloeg. Vervolgens liep hij langzaam naar de dichtstbijzijnde winkel en stortte zich met kalme kracht op de nog intacte ramen. [...] Cascades van glas vielen verbrijzelend op het trottoir. Het klonk alsof de hele stad uit niets anders bestond dan brekend glas. Het was een reis als een droom voor een gek.”
De Joodse Inge Fehr gaat de volgende dag naar school, maar krijgt meteen te horen dat ze naar huis moet.
"Onze directrice vertelde ons dat er een pogrom gaande was. We moesten evacueren omdat leden van de Hitlerjugend zich met stenen verzamelden aan de voorkant en andere gebouwen in brand staken. We moesten allemaal snel via de achterdeur vertrekken en tot nader order niet naar school terugkeren. Op weg naar huis volgde ik de rook en arriveerde bij de synagoge in de Fasanenstrasse, die in brand was gestoken. Een menigte keek toe vanaf de stoep aan de overkant. Vervolgens liep ik door de Tauentzienstrasse, waar ik menigten Joodse winkelruiten zag inslaan en uitgejoelde eigenaren probeerden hun goederen te redden. Toen ik bij ons huis aankwam, zag ik dat onze chauffeur, die jarenlang voor ons had gewerkt, met rode verf “Fehr Jude” op de stoep had geschilderd."
Na de machtsovername door de nazi’s in 1933 zijn veel Duitse Joden gevlucht, onder andere naar het veilig geachte Nederland, maar na de gewelddadigheden van de Kristallnacht zoeken ook anderen alsnog een veilige plek. Joodse vluchtelingen die alles hebben achtergelaten worden in ons land opgevangen in Kamp Westerbork[7]. Ook Martha en haar zussen Auguste en Clara maken plannen om te ontsnappen aan de terreur van de nazi’s. Het lukt hen om te vluchten en met hun schaarse bezittingen, ondergebracht in een hutkoffer, komen zij begin maart 1939 aan in ons land en vinden aanvankelijk onderdak aan de Hogeweg 11 in Wassenaar. Hoofdbewoner is de Duitse koopman Albert Otto Mossler (1874) die er sinds 1936 met zijn jonge vrouw Marie Frederike Lijdia Blume (1904) woonachtig is. Van begin juli 1939 verblijven de zussen in het Baarnse rusthuis Insulinde[8] aan de Prins Hendriklaan 11, om na ruim vier maanden terug te keren naar de Hogeweg 11. Met de aanval van Duitsland op Polen op 1 september 1939 is de Tweede Wereldoorlog een feit en probeert ons land zijn neutraliteit te bewaren.

Hutkoffer met de initialen van Clara Lazarus (foto E.W. Lans).
Op steenworp afstand van de Hogeweg woont op de Bloemcamplaan 72 Liselotte Ursula Hirschfeldt (1918-2014). Zij en haar ouders hebben gewoond in de Berlijnse Meinickerstraße eveneens in de buurt van de Gedächtniskirche en de Tauentzienstraße. Het gezin verkeert in dezelfde kringen als de gezusters Lazarus. De ouders van Liselotte scheiden, maar haar vader hertrouwt en na de machtswisseling in 1933 vlucht het tweetal naar Nederland. Liselotte die op een Zwitserse kostschool verblijft voegt zich in 1938 bij haar vader en stiefmoeder op de Bloemcamplaan. Liselotte kan het niet goed vinden met haar stiefmoeder en zoekt vaak het gezelschap van de dames Lazarus. Ze delen hun Berlijnse achtergrond en kunnen met elkaar praten in hun moedertaal. Lisselotte doet boodschappen en drinkt wat met de zussen. Volgens haar zijn de drie zussen in afwachting van een mogelijkheid om naar de V.S. te emigreren. Een familielid – is dat misschien hun oudste zus Felicia – is daar al en zal de weg voor hen vrijmaken.

Van Riemsdijkstichting, Baarn ca. 1932 (foto Stichting Groenegraf, Baarn).
Albert Mossler en zijn vrouw wachten de ontwikkelingen in ons land niet af en ontspringen de dans door eind april 1940 naar het Canadese Vancouver te vertrekken. Naast de zussen Lazarus is er nog één andere bewoonster woonachtig in het huis aan de Hogeweg. Op de woningkaart staat zij vermeld als inwonend personeel.
Martha, Auguste en Clara zijn nog maar kort in ons land en het is aannemelijk dat zij de Nederlandse taal nog onvoldoende beheersen en min of meer op elkaar zijn aangewezen.
Zij denken hier veilig te zijn, maar worden ingehaald door de tijd. In de vroege ochtend van 10 mei 1940 vallen de Duitsers ons land binnen. Ongetwijfeld zullen de bewoners aan de Hogeweg het nodige hebben meegekregen van de gevechtshandelingen rondom Den Haag. Na een korte maar ongelijke strijd capituleert het Nederlandse leger op 15 mei. Het eventuele vertrek naar de V.S. gaat nu niet meer lukken en de zussen realiseren zich dat zij een ongewisse toekomst tegemoet gaan. Zij moeten zich verlaten, radeloos en wanhopig hebben gevoeld en de vraag van hoe nu verder zal zich hebben opgedrongen.
Op die vraag komt op 18 mei, drie dagen na de capitulatie, het antwoord wanneer ’s ochtends op het politiebureau aan de Van Zuylen van Nijeveltstraat een melding binnenkomt van een poging tot zelfmoord aan de Hogeweg 11. Twee agenten gaan ter plaatse waar inmiddels ook een arts aanwezig is. De laatste adviseert om de zussen, die dan nog leven, over te brengen naar de Ursulakliniek in Wassenaar. In het politierapport van die dag lezen we ondermeer:
“………..Zij waren bewusteloos. Blijkens uit een bij ieder der slaapplaatsen staande drank is het vermoeden dat hierin vergif was en dit is ingenomen. Deze drank is medegegaan naar de Ursula kliniek voor onderzoek. Uit de gevonden papieren, geborgen in een cassette, blijkt dat de zaken moeten worden afgedaan door den Heer (……………). Deze cassette met de sleutels van de voordeur gedeponeerd bij den Inspecteur. Dr. B. de la Faille kwam later ter plaatse. De ontdekking is gedaan door de dienstbode (………….). P.V.[9] wordt opgemaakt.”

St.-Jacobusstichting/Ursulakliniek aan de Eikenlaan, ca. 1936 (Gemeentearchief Wassenaar).
Twee dagen na hun zelfmoordpoging[10] overlijden Auguste (69 jaar) en Clara (68 jaar) op 20 mei 1940 in de Ursulakliniek. Eén dag na haar 70ste verjaardag overlijdt ook Martha daar op 22 mei 1940.
Martha, Auguste en Clara worden na hun overlijden begraven op de Joodse begraafplaats in Wassenaar waar drie eenvoudige zerken hun laatste rustplaats markeren.

Grafstenen van Martha, Auguste en Clara Lazarus, Joodse begraafplaats Wassenaar (foto Ton Beijersbergen).
Op de achtergebleven en lege hutkoffer met daarop de initialen C.L., zit een briefje waarop staat dat de hutkoffer eigendom is van Clara Lazarus en dat deze bestemd is voor Liselotte. De hutkoffer is lang geleden door Clara gekocht bij Rudolf und Rudolf aan de Leipzigerstraße 75 in de Duitse hoofdstad en heeft veel gereisd. Die reis begon ooit in Berlijn om vervolgens ingepakt te verhuizen naar Wassenaar en Baarn om daarna terug te keren naar ons dorp. Via Liselotte komt de koffer in het bezit van haar dochter Marie-Louise Wijsmuller en tenslotte bij haar kleinzoon Ernst Willem Lans. De hutkoffer wordt gebruikt als opslagplaats voor winterkleding en skispullen en reist mee naar Baarn, Bloemendaal, Meerle (België), Breda en Den Haag. In deze laatste plaats wordt overwogen om de koffer van de hand te doen. De door de familie gestarte zoektocht naar de herkomst van de hutkoffer onthulde het bijzondere verhaal over de familiegeschiedenis van Liselotte. Na overleg met het Joods Cultureel Kwartier[11] wordt de hutkoffer van Clara opgenomen in hun collectie en maakt hij na vierentachtig jaar zijn voorlopige laatste reis met als eindbestemming Amsterdam.

Hogeweg 11 (foto Mariëtte van Lit-Pieterse).
De drie struikelstenen op deze plek vormen
een blijvende herinnering aan Martha Lazarus,
Auguste Lazarus en Clara Lazarus.

Foto Patrick Kop
©Ton Beijersbergen
Werkgroep Struikelstenen Wassenaar
https://www.oudwassenaer.nl/2e-wereldoorlog/struikelstenen
[1] Breslau, het huidige Wrocław, is gelegen in het zuidwesten van Polen aan de Oder.
[2] De datum van de geboorte en overlijden van Felicia zijn vooralsnog onbekend.
[3] Tot 1920 was Charlottenburg een zelfstandige en welvarende stad. Bij de annexatie in 1920 door Groot-Berlijn werd het zelfstandige district Charlottenburg gevormd.
[4] Begraafplaats Weißensee is een Joodse begraafplaats in de gelijknamige Berlijnse wijk. Het is met 42 ha en ongeveer 115.000 graven de op één na grootste Joodse begraafplaats in Europa.
[5] Het concentratiekamp Dachau is het eerste grootschalige opgezette kamp van de SS in nazi-Duitsland. Het ligt ten oosten van de Zuid Duitse stad Dachau, ongeveer 20 km ten noordwesten van München. Het is in gebruik van 22 maart 1933 tot aan de bevrijding op 29 april 1945.
[6] Een pogrom is een uitbarsting van geweld en buitensporigheden, gericht tegen een deel van de bevolking. Vaak gaat het om een minderheidsgroepering, met name Joden.
[7] Kamp Westerbork is in 1939 gebouwd als centraal vluchtelingenkamp in opdracht van de Nederlandse overheid voor de opvang van joodse vluchtelingen uit Duitsland. Spoedig na de machtsovername van Adolf Hitler (1933) kwamen de eerste politieke en joodse vluchtelingen uit Duitsland Nederland binnen.
[8] In 1932 was in Baarn De Van Riemsdijkstichting opgericht door de weduwe G.W. van Riemsdijk vlak na de dood van haar echtgenoot. Het was een rusthuis voor welgestelde ouderen. In 1939 krijgt het rusthuis een andere naam: Rusthuis Insulinde. Onder die naam zijn dat jaar nog verschillende vermeldingen te vinden, de laatste in januari 1940. Het lijkt erop dat het Rusthuis Insulinde haar activiteiten stopt. Mogelijk is dat de verklaring waarom de zussen na vier maanden terugkeren naar de Hogeweg 11. Het voormalige rusthuis is inmiddels gesloopt.
[9] P.V.: proces-verbaal.
[10] Volgens onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek bedroeg het aantal zelfdodingen in Nederland in mei 1940 in totaal 388, waarvan 201 joods. Uit onderzoek blijkt dat het hoogste aantal zelfdodingen plaatsvond in mei 1940. De meeste zelfdodingen vonden plaats in Amsterdam (155) en gebeurden vaak collectief, binnen gezinnen. Ook in latere oorlogsjaren pleegden velen zelfmoord, onder wie onderduikers, ouderen of mensen die gescheiden werden van hun familie.
[11] Het Joods Cultureel Kwartier bestaat uit vier authentieke gebouwen in de oude Jodenbuurt van Amsterdam: het Nationaal Holocaustmuseum, het Joods Museum, de Portugese Synagoge en de Hollandsche Schouwburg.