Kaatje Frenk
Mietje Frenk
Bertha Abrahamson
Naatje Fresco – Keyl
Betje Haagman
Joseph Kan
Henriëtte van Messel – Meijer
Bernard Rozenthal
Sientje Rozenthal – Bromet
Edith Schuster
Abraham Sluizer
Sophia de Sterke
Jacob Vet
Sara Vet – Frenk
Kaatje Frenk ziet het levenslicht op 13 december 1890 in Zierikzee. Zij is het zevende kind van Salomon Frenk (1845-1929) en Mietje Frenk-van Klaveren (1852-1932). De oudere kinderen in het gezin zijn allemaal jongens. Abraham Samuel (1883-1942), Mozes Salomon (1884-1884), Nathan Salomon (1885-1945), Mozes Salomon (1887-1943), Marcus Salomon (1888-1967) en Benjamin Salomon (1889-1890). Na Kaatje worden er nog drie meisjes geboren: Sara (1892-1943), Elisabeth (1894-1957) en op 19 december 1896 wordt het jongste kind geboren en krijgt de naam van haar moeder: Mietje. Zij completeert het orthodox-joods gezin, na haar worden er geen kinderen meer geboren.
Het gezin woont aan de Appelmarkt in Zierikzee waar vader Salomon “vleeschhouwer” is. Later wordt het slagersbedrijf uitgebreid met de handel in vee en een slachterij. De ouders van het kinderrijke gezin voeden hun kroost beschermend op en spelen binnen de joodse gemeenschap van het Zeeuwse stadje een vooraanstaande rol. Dat blijkt wel uit het feit dat de oudste zoon van Salomon en Mietje in 1888, op vijfjarige leeftijd de eerste steen mag leggen van de vernieuwde synagoge[1] in de Meelstraat.

Voormalige synagoge in de Meelstraat, Zierikzee
(G.J. Dukker, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 1962).
In 1906 verhuist het gezin naar Rotterdam en drie jaar later worden Salomon en zijn vrouw de eigenaars en uitbaters van het koosjere hotel-restaurant “Frenk” aan de Veemarkt 24. De veemarkt van de Maasstad is op dat moment één van de belangrijkste veemarkten van ons land. Op 24a staan Abraham Samuel en zijn broer Mozes Salomon ingeschreven als “Gebr. Frenk, commissionairs in vee en paarden”. De broers zijn actieve en creatieve ondernemers en proberen hun handelswaar op allerlei manieren in te kopen en te verkopen. Later verhuizen zij weer naar Zierikzee en zetten daar hun handel voort. Het vlees van de Gebr. Frenk is niet alleen te koop op Schouwen-Duiveland (Zierikzee), maar ook op andere Zeeuwse eilanden.

Advertentie ter gelegenheid van Rosj Hasjana (Joods Nieuwjaar).
Nieuw Israëlitisch Weekblad, 24 september 1919 (Delpher).
Ook Kaatje en Mietje zitten niet stil en vinden werk in de stad. Kaatje werkt in het Joods ziekenhuis aan de Schietbaanlaan 42[2]. Zij is daar het hoofd van de huishouding. Haar zes jaar jongere zus Mietje, en net als Kaatje ongehuwd, wordt er directrice. Ongetwijfeld zullen de zussen zich zorgen hebben gemaakt over de ontwikkelingen in het vooroorlogse Europa. Na het ineenstorten van de Amerikaanse beurs (1929) ontstaat er een wereldwijde recessie met enorme gevolgen. In Duitsland spint de N.S.D.A.P. van Adolf Hitler garen bij deze malaise. Voordat hij in 1933 aan de macht komt, overlijden de ouders van Kaatje en Mietje. Salomon in 1929 en Mietje in 1932.

Huize Klim Op, foto’s brochure 1924 (fotocollectie Maatschap Remmerswaal).
In september 1937 kopen de zussen Frenk het in Wassenaar gelegen Huize Klim Op[3] aan Raadhuislaan 4. Een rust- en herstellingsoord voor voornamelijk Joodse mensen. Begin 1938 verhuizen Kaatje en Mietje naar Wassenaar en geven vanaf dat moment leiding aan het huis. Hun ervaring opgedaan in het Rotterdamse ziekenhuis komt goed van pas en de taken zijn net zo verdeeld als eerder. Mietje is directrice en Kaatje is verantwoordelijk voor de huishouding.

Huize Klim Op, 1929 (fotocollectie Robert van Lit).

Advertentie in Het Centraalblad voor Israëlieten in Nederland, 1937 (Delpher).
Het stel timmert aan de weg en regelmatig verschijnen in zowel landelijke- als regionale dagbladen advertenties waarin gewag wordt gemaakt van het moderne comfort zoals “stromend warm en koud water, de aanwezigheid van een hoogtezon, een dieet-en rituele keuken en een centrale verwarming”. Tevens zijn er mogelijkheden voor permanente bewoning voor zowel echtparen als alleenstaanden. Uiteraard wordt ook de rustige en landelijke omgeving in de advertenties aangeprezen.

Advertentie Huize Klim Op in het Nieuw Israëlitisch Weekblad, 19 november 1937 (Delpher) Advertentie Huize Klim Op in De Nederlander, 1937 (Delpher).
Inmiddels komen uit Duitsland verontrustende berichten. Na de Kristallnacht[4] van 9 op 10 november 1938 zijn daar de Joden vogelvrij en begint de vervolging. Sommigen zijn dan al gevlucht, anderen maken plannen, maar de meesten kunnen dan al geen kant meer op. De ontwikkelingen in ons buurland worden in Huize Klim Op op de voet gevolgd en wanneer de nazi’s op 1 september 1939 Polen binnenvallen en de Tweede Wereldoorlog een feit is, nemen ook de zorgen toe van de bewoners van het rusthuis aan de Raadhuislaan. Die zorgen worden concreet als Nederland in de vroege ochtend van 10 mei 1940 wordt aangevallen en ons land na vijf dagen strijd capituleert.

Huize Klim Op, ca. 1936 (fotocollectie Ton Beijersbergen)
Een kleine maand later verhuist de bejaarde Haagse oud-onderwijzer Joseph Kan naar de Wassenaarse Raadhuislaan waar hij zijn intrek neemt in Huize Klim Op. Joseph is geboren op 13 november 1861 in Winterswijk als zoon van Kasper Simon Kan (1811-1899) en Jetta Löwenstein (1830-1898). Joseph maakt deel uit van een groot gezin en zijn vader is eerder getrouwd geweest. Uit dit huwelijk zijn zeven kinderen geboren. Joseph heeft drie halfbroers en vier halfzusters. Uit het tweede huwelijk komen eveneens zeven kinderen voort. Joseph heeft dus ook nog vier broers en twee zusters. Een nicht van Joseph, Carolina Blok – Kan (1896-1943), werkt als hoofdverpleegster in de Joods Psychiatrische Inrichting Het Apeldoornsche Bosch.
Op enig moment moet Joseph naar Apeldoorn zijn gegaan of gebracht, maar daarvan staat niets vermeld op zijn persoonskaart. Er is ook geen inschrijving bij de gemeente Apeldoorn te vinden. Het kan zijn dat Carolina het voor haar oom veiliger acht om naar Het Apeldoornsche Bosch te komen. Op 4 oktober 1942 overlijdt Joseph Kan op tachtigjarige leeftijd in de Joods Psychiatrische Inrichting.
Kort na de capitulatie wanneer de bezetting een feit is, worden de eerste anti-Joodse maatregelen ingevoerd. Begin januari 1941 wordt aangekondigd dat alle Joodse inwoners zich moeten laten registreren in hun woonplaats. Kaatje en Mietje doen dit op 13 februari tegen betaling van fl. 1,-. Met hen doen 216 andere dorpsgenoten dit ook. De aanmelding en de betaling worden op het gemeentehuis De Paauw keurig geadministreerd[5].
Ondanks de onzekere tijden blijft Mietje met enige regelmaat adverteren. Niet alleen om aspirant-bewoners te verleiden om naar Klim Op te verhuizen, maar er wordt ook gevraagd om hulpen in de huishouding.
Blijkbaar ziet Sophia de Sterke er wel wat in om haar oude dag te slijten onder de zorgen van Kaatje en Mietje. Op 13 maart 1941 verhuist Sophia vanuit Rotterdam, waar ze een paar maanden bij haar neef Henri Leonard heeft ingewoond, naar Wassenaar en neemt haar intrek in Huize Klim Op.
Sophia wordt geboren op 7 oktober 1862 in Rotterdam als dochter van Levy de Sterke (1803-1875) en Flora Verger (1812-1898). Sophia is het jongste kind in een gezin van elf kinderen. De oudsten zijn al ruim in de twintig als Sophia als nakomertje wordt geboren. Het gezin De Sterke woont aanvankelijk op de Rotterdamse Kruiskade, maar verhuist later naar de Goudsesingel. Sophia is muzikaal, speelt piano en is in haar werkzame leven pianolerares. Van haar tien broers en zussen overlijdt de laatste, broer Philip, in 1935. Ongetwijfeld zal Sophia, die ongehuwd is, zich soms eenzaam hebben gevoeld. In Huize Klim Op hoopt zij met haar medebewoners op een gelukkige oude dag.
Een andere bewoonster van het rusthuis is Bertha Abrahamson. Zij is geboren in Amsterdam op 27 oktober 1868. Van 30 april 1932 tot 4 december 1941 woont zij op Schouwweg 72, het Johannahuis. Dan verhuist zij naar Huize Klim Op. Onbekend is de reden van verhuizing. Men kan zich afvragen of die verhuizing van het niet-Joodse Johannahuis, na een verblijf van negen jaar, naar het Joodse rusthuis op een gedwongen karakter wijst i.v.m. de anti-Joodse maatregelen.
Ruim een maand later, op 17 januari 1942, krijgen die verhuizingen wel een dwingend karakter wanneer Joden uit Zaandam naar Amsterdam moeten verhuizen. Het is het begin van de gedwongen verhuizing van Nederlandse Joden naar de hoofdstad. Sommigen van hen die huis en haard moeten verlaten, kunnen nog tijdelijk ergens anders wonen. Ook in Huize Klim Op zijn de gevolgen merkbaar. Op 13 maart 1942 neemt Henriëtte van Messel-Meijer (1868-1943) haar intrek in het rust- en herstellingsoord.
Eind mei 1942 verzendt de locoburgemeester van Wassenaar in keurig en beleefd Duits in vijfvoud de registratielijsten met daarop de namen van 218 Joodse dorpsgenoten aan “die Zentralstelle für jüdische Auswanderung” in Amsterdam. Op grond van deze lijsten krijgen in de zomer van 1942 Joodse Wassenaarders bezoek van de “Hausraterfassungsstelle”.
In diezelfde periode zoekt het gezin van Alfred Kaufmann, tot dan woonachtig op Jonkerlaan 73, zijn toevlucht tot Klim Op. Alfred is sinds 1938 Algemeen Directeur van Huis ter Duin in Noordwijk.
Ook de jonge verpleegster Edith Schuster (1923-1943) vindt er onderdak en zij zal in die periode zeker een bijdrage hebben kunnen leveren aan het verzorgen en het welzijn van haar huisgenoten.

Kaarten Joodsche Raad van Jacob Vet en Sara Vet-Frenk (Arolsen Archives)

Medio juli 1942 vertrekt de eerste trein met Joden uit Amsterdam naar Westerbork. Dan wordt ook een begin gemaakt met de deportaties vanuit het Drentse doorgangskamp. In het begin vertrekken er wekelijks twee treinen naar de tot dan toe onbekende oorden in het oosten.
Bertha Abrahamson is de eerste bewoonster die op 28 augustus 1942 gedwongen wordt om te vertrekken naar Amsterdam waar zij gaat wonen in Zoomstraat 23 bij de weduwe Blum-Cohen. Een week later vindt op het gemeentehuis De Paauw de installatie plaats van de N.S.B.-burgemeester De Blocq van Scheltinga[6]. In diezelfde maand worden in Rotterdam Joden opgeroepen om zich vrijwillig te melden. Velen geven geen gehoor aan deze oproep waarop de Duitsers een drastisch besluit nemen door Joden door middel van razzia’s op te pakken. Het gevolg is dat o.a. familieleden van Kaatje en Mietje een veilig heenkomen zoeken in Wassenaar. Zus Sara Vet-Frenk (1892-1943) met haar man Jacob Vet (1897-1943) zijn vanaf 8 september nieuwe medebewoners. Sara is al vanaf 1938 werkzaam in het rusthuis. Jacob is verpleger en zet zijn werk voort in zijn nieuwe omgeving. Ook een andere zus komt die maand met haar man en zoon naar Wassenaar. Het zijn Elisabeth Eijl-Frenk (1894-1957), Zacharias Eijl (1888-1976) en Hans Richard Eijl (1926-2016). Hun woning in Rotterdam en al hun bezittingen worden gevorderd.
Halverwege oktober bericht het hoofd van de SS in bezet Nederland Hans Albin Rauter[7] aan de leider van de SS Heinrich Himmler[8], dat het Jodendom vogelvrij is verklaard. Hierop stelt de pasbenoemde burgemeester de Duitsers voor om bepaalde Wassenaarse Joden uit de gemeente te verwijderen. Vanuit de Paauw wordt rond deze tijd een lijst verstuurd met daarop de namen en adressen van de gemengd gehuwden. De bewoners van Huize Klim Op merken dat het net zich langzaam sluit, dat hun toekomst ongewis is en zien de ontwikkelingen met angst en beven tegemoet.
In november van dat jaar verhuizen nog een vijftal mensen naar de Raadhuislaan. Het zijn de weduwnaar Abraham Sluizer (1863-1943), zijn huishoudster Betje Haagman (1868-1943), Naatje Fresco-Keyl (1878-1943), Bernard Rozenthal[9] (1864-1943) en zijn echtgenote Sientje Rozenthal-Bromet (1874-1943). Hun verblijf in Wassenaar is maar kort, want inmiddels zijn de gedwongen verhuizingen naar de hoofdstad in volle gang. Met de dag zien de Joden dat hun situatie steeds hopelozer wordt. Ze kunnen nu echt geen kant meer op. Onderduiken lukt misschien nog wel, maar daar moet je de middelen en de contacten voor hebben. Hoe zouden de bejaarde bewoners van Klim Op dat moeten organiseren?
Nog voor het eind van het jaar wordt op 12 december het gezin van Zacharias Eijl gedwongen te verhuizen naar Amsterdam en vindt een tijdelijk onderkomen aan de Amsterdamse Muiderschans 91hs [10]. Zacharias wordt er huismeester en Hans Richard maakt zich verdienstelijk als huisknecht. Een kleine week later verlaten nog meer bewoners het Wassenaarse Klim Op en nemen hun intrek op de Muiderschans. De mensen die vertrekken worden correct uitgeschreven in Wassenaar en ingeschreven door de hoofdstedelijke bevolkingsadministratie. Het betreft Sara Vet-Frenk, Sophia de Sterke, Henriëtte van Messel-Meijer en Naatje Fresco-Keyl. Op het genoemde adres zijn Jacob Vet en zijn vrouw volgens de kaarten van Joodse Raad “Broeder in Rusthuis Klim-Op Muiderschans 91” respectievelijk “sinds 1938 bij Klim-op Muiderschans 91 werkzaam”.
We mogen aannemen dat dit een dependance of een “vooruitgeschoven post” van Huize Klim Op in Wassenaar is. Op enig moment komt ook de locatie Muiderschans 74 in beeld. Henriëtte Messel-Meijer, Sophia de Sterke en Naatje Fresco-Keyl verhuizen van nummer 91 naar nummer 74. Op de persoonskaart van Amsterdam staat Muiderschans 91, op hun kaart van de Joodse Raad staat Muiderschans 74 aangegeven. Na een verblijf van drie maanden worden op 27 maart 1943 Jacob Vet, zijn vrouw Sara Vet-Frenk, Henriëtte Messel-Meijer en Naatje Fresco-Keyl naar Westerbork afgevoerd, waar Jacob en Sara in Stafbarak 67 worden geplaatst. Een kleine maand later maakt ook Sophia de Sterke de reis naar het doorgangskamp.
Ergens in de eerste drie maanden van 1943 volgt een tweede gedwongen verhuizing vanuit Wassenaar. Hierover is geen nadere informatie bekend. Zelfs niet of er één groot transport is geweest of dat er in kleinere groepen naar Amsterdam is gereisd. De bevolkingsadministratie van Wassenaar is hierover niet ingelicht. Op 13 augustus 1943 noteert een ambtenaar van de burgerlijk stand op de adreskaart van Raadhuislaan 4 dat Kaatje en Mietje “met onbekende bestemming” zijn vertrokken en plaatst op de kaart de aantekening VOW[11]. Maar niet alleen zij, tenminste zes hoofdbewoners (met een onbekend aantal gezinsleden) van het rusthuis zijn op diezelfde dag verdwenen. Kennelijk hebben Kaatje, Mietje en de andere bewoners geen gelegenheid gekregen om aan het gemeentehuis hun verhuizing door te geven. Hieruit alleen al blijkt het onvrijwillige karakter van hun vertrek.

Huize Klim Op na de ontruiming in 1943 (foto Gemeentearchief Wassenaar).
De nieuwe inwoners van Amsterdam worden evenmin op de gebruikelijke manier in de bevolkingsadministratie van de hoofdstad ingeschreven. Na hun aankomst werken Kaatje, Mietje en Zacharias Eijl in “Rusthuis Klim-Op[12] Muiderschans 74”. Zacharias als “Huismeester Rusthuis Klimop, Muiderschans 74”. Waar de overigen uit de groep zijn ondergebracht, is niet bekend, maar het feit dat er sprake is van “Rusthuis Klim-Op Muiderschans 74” doet vermoeden dat er, zoals eerder vermeld, een verdere voortzetting van Huize Klim Op in enigerlei vorm is geweest.
Vanuit de Hollandsche Schouwburg[13] worden ook Pessel Fenichel-Fischler (1903) en haar vijfjarige zoon Henry Fenichel (1938) uit Den Haag er tijdelijk ondergebracht.
Op 5 en 6 april 1943 moeten alle Joden de Nederlandse provincies Friesland, Drente, Groningen, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Zeeland verlaten en worden overgebracht naar Kamp Vught. Een week later worden Betje Haagman en Sophia de Sterke naar Westerbork getransporteerd. Op 15 mei en 29 juni volgen de anderen. Alleen Kaatje en Mietje Frenk duiken onder op een onbekende datum. We nemen aan dat dit begin mei 1943 zal zijn geweest, omdat op 15 mei de meeste bewoners, inclusief Henry Fenichel en zijn moeder, naar Westerbork worden getransporteerd.
Op 29 september wordt Amsterdam “Judenrein” verklaart. Dit gebeurt na een grote razzia, waarbij 5.000 Joden worden opgepakt. Hierbij zijn ook het bestuur en de medewerkers van de Joodse Raad.
Kaatje en Mietje wachten dus die laatste ontruiming niet af en duiken onder in een vakantiehuisje in Coldenhove[14]. Op 12 juni 1944 slaat dan toch het noodlot toe wanneer de zussen, door verraad van een voormalige politieagent uit Eerbeek, onverwachts in het huisje worden overvallen door de Sicherheitsdienst. Ook wordt een gezochte medewerker van Het Parool gearresteerd. Mietje vraagt de mannen of ze voor vertrek nog naar de wc mag. Dat wordt haar toegestaan. Op het toilet slikt ze cyaankali, het vergif dat ze altijd bij zich droeg. Volgens “officiële” documenten is Mietje “tijdens het vervoer overleden”. Zij is dan 47 jaar.
Haar zus Kaatje wordt door de Duitsers meegenomen en komt uiteindelijk via Westerbork op 31 juli 1944 aan in Theresienstadt. Vandaar wordt zij op 9 oktober gedeporteerd naar Auschwitz waar zij twee dagen later direct na aankomst op 53-jarige leeftijd wordt vermoord.
Mietje wordt in eerste instantie begraven op de begraafplaats van Hall (gemeente Brummen) tegelijk met de zeskoppige bemanning van een Engelse Lancaster bommenwerper. Achttien jaar later wordt zij herbegraven op de Joodse begraafplaats in Rotterdam.
De meesten van de voormalige bewoners van Huize Klim Op komen uiteindelijk om in één van de Duitse vernietigingskampen.
Bertha Abrahamson (74 jaar) op 19 februari 1943 in Auschwitz,
Jacob Vet (45 jaar), zijn vrouw Sara Vet-Frenk (50 jaar) en Naatje Fresco-Keyl (64 jaar) op 2 april 1943 in Sobibor,
Sophia de Sterke (80 jaar) en Betje Haagman (74 jaar) op 30 april 1943 in Sobibor,
Henriëtte van Messel-Meijer (74 jaar) op 7 mei 1943 in Sobibor,
Bernard Rozenthal (78 jaar) en zijn vrouw Sientje Rozenthal-Bromet (69 jaar) op 21 mei 1943 in Sobibor,
Abraham Sluizer (80 jaar) op 28 mei in Sobibor en de jonge verpleegster
Edith Schuster (19 jaar) op 2 juli 1943 in Sobibor.

Kaarten Joodsche Raad van Edith Schuster en Naatje Fresco-Keyl (Arolsen Archives)

Van het kinderrijke gezin Frenk uit Zierikzee overleven alleen Marcus Salomon en zijn zus Elisabeth de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog.
Ook de echtgenoot van Elisabeth (Bep) Frenk, Zacharias Eijl en hun zoon Hans Richard overleven de oorlog. Zij verlaten begin september 1943 de Muiderschans in verband met de steeds terugkerende razzia’s. Aanvankelijk zitten zij ondergedoken op een adres aan de Ceintuurbaan, maar omdat ook daar het verraad op de loer ligt, verhuist het drietal naar de Semarangstraat 10 lll en duikt onder bij Henk en Marijke Nooter. Daar is het gezin verborgen achter een deur waarvan bezoekers denken dat het een kastdeur is. Bijna gaat het mis wanneer er in de Semarangstraat een razzia plaatsvindt. Ieder huis wordt doorzocht of er ondergedoken Joden zijn. Als tijdens de razzia het “juden heraus” in de straat geschreeuwd wordt, zet Henk de voordeur wagenwijd open. Passerende Duitse soldaten zien de openstaande deur en verkeren in de veronderstelling dat er al in de woning gezocht wordt en slaan het huis over. Het is de redding van het gezin, maar de angst moet ondraaglijk zijn geweest.
Pessel Fenichel-Fischler en de kleine Henry worden op 1 februari 1944 naar Bergen-Belsen gedeporteerd. Door een uitwisselingsprogramma (“Transport 222”) komen zij in de zomer van dat jaar aan in Palestina.
Het gezin Kaufmann overleeft eveneens de Holocaust.
Tot de vaste inwoners van Huize Klim Op behoorden Kaatje Frenk, Mietje Frenk en Joseph Kan. Sophia de Sterke verhuisde in 1941 vrijwillig naar de Raadhuislaan.
De overige bewoners (en slachtoffers van de Holocaust) werden gedwongen tot een verhuizing naar Wassenaar.
De Werkgroep Stolpersteine Wassenaar spant zich in om ook voor die slachtoffers een struikelsteen geplaatst te krijgen op het adres waar zij voor het laatst in vrijheid hebben kunnen wonen. Voor Bernard Rozenthal en Sientje Rozenthal-Bromet zijn er in oktober 2023 struikelstenen geplaatst in de Agrippinastraat 6 in Voorburg. Voor Jacob Vet en Sara Vet-Frenk gebeurde dat in het najaar van 2024 in de Rotterdamse Rauwenhoffstraat 12a. Voor Henriëtte Van Messel-Meijer ligt er inmiddels een struikelsteen aan de Provenierssingel 29b eveneens in Rotterdam. In november 2024 werd er voor Bertha Abrahamson een struikelsteen gelegd op de Schouwweg 72 in Wassenaar.
Ter nagedachtenis aan de veertien bewoners van Huize Klim Op die slachtoffer werden van de Holocaust, is ter gelegenheid van 100 jaar Huize Klim Op door de huidige eigenaar, Maatschap Remmerswaal, in 2024 een plaquette aangebracht in de hal van Huize Klim Op.


Foto: Mariëtte van Lit-Pieterse
Raadhuislaan 4
De vier struikelstenen op Raadhuislaan 4
vormen een blijvende herinnering aan
Kaatje Frenk, haar zus Mietje Frenk,
Sophia de Sterke en Joseph Kan.

Foto: Jan van der Plas
©Ton Beijersbergen
Werkgroep Struikelstenen Wassenaar
https://www.oudwassenaer.nl/2e-wereldoorlog/struikelstenen
[1] In 1825 wordt aan de Meelstraat een synagoge ingewijd. Dit gebouw bestaat nog steeds, maar sinds 1920 doet het geen dienst meer als synagoge. Reeds lang voor de Tweede Wereldoorlog is de joodse gemeenschap van Zierikzee te klein om zelfstandig te kunnen zijn. In 1922 wordt ze gevoegd bij die van Middelburg.
[2] Op 26 februari 1943 wordt dit ziekenhuis op bevel van de bezetter ontruimd.
[3] Huize Klim Op wordt gebouwd in 1924 in opdracht van de dames Timmers en Lietz als rust- en herstellingsoord. De beide dames zijn er achtereenvolgens ook directrice. Mevrouw Lietz overlijdt in 1936 en mevrouw Timmers verhuist in 1938 naar de Burchtlaan.
[4] De Kristallnacht is een door de nazi’s georganiseerde actie (pogrom) gericht tegen het Joodse deel van de Duitse bevolking. In heel Duitsland worden Joden en hun bezittingen aangevallen.
[5] De opbrengst van deze registratie levert fl. 218,- op, die op 11 maart 1941 wordt gestort op de Giro van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters.
[6] Burgemeester baron van Wijnbergen is op 14 augustus 1942 door de Duitsers als burgemeester van zijn functie ontheven. Na de oorlog wordt hij weer in zijn functie hersteld.
[7] Rauter is de hoogste vertegenwoordiger van de SS en als zodanig hoofdverantwoordelijke voor de vervolging en onderdrukking van het Nederlandse verzet en medeverantwoordelijke voor de deportatie van de Nederlandse Joden.
[8] Himmler is één van de hoofdverantwoordelijken voor de Holocaust en is daarmee een van de grote oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog.
[9] Voor Bernard Rozenthal en Sientje Rozenthal-Bromet zijn er 2 oktober 2023 struikelstenen geplaatst in de Agrippinastraat 6 in Voorburg.
[10] Muiderschans (Sarphatiestraat): op 14 augustus wordt op aandrang van de bezetter een aantal Amsterdamse straatnamen veranderd. Het gaat om straten en pleinen die naar het Nederlandse koningshuis of naar joden genoemd zijn. Tot het eind van de oorlog heet de Sarphatiestraat Muiderschans.
[11] VOW: Vertrokken Onbekend Waarheen.
[12] Op sommige kaarten wordt ook de naam “Klim” gebruikt.
[13] De Hollandsche Schouwburg is een Joods monument aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam. Tussen 1893 en 1942 was het een theater. In de oorlogsjaren 1942 en 1943 is het een verzamelplaats waarvandaan Joden via Kamp Westerbork en Kamp Vught gedeporteerd worden naar de vernietigingskampen van nazi-Duitsland.
[14] Coldenhove is een buurtschap en voormalig landgoed in de gemeente Brummen, Gelderland. De buurtschap ligt te zuidwesten van Eerbeek.